abcoude

Glazen Sneeuw

***

Noot van de schrijver vooraf: Dit verhaal is volledig verzonnen, elke gelijkenis met de werkelijheid berust op puur toeval. Verder is het geenszins de bedoeling van de auteur de in het verhaal genoemde – fictieve – personen te beledigen, kwetsen of belachelijk te maken. Deze personen zijn overigens samengesteld uit namen die willekeurig uit het telefoonboek geplukt zijn. Elke overeenkomst met bijvoorbeeld de President-directeur van de Nederlandse Spoorwegen of de directievoorzitter van NS Reizigers, berust dan ook op louter toeval. De Mol, die zich hier wil verrijken met sms-diensten, is geen ‘familie van…’
Alleen de koffiejuffrouw bestaat echt, maar zij vond het wel een eer om in dit verhaal te figureren, mits ze onherkenbaar in beeld zou komen. Om die reden heb ik haar zwaar Rotterdamse accent onvermeld gelaten. De schoonmaker is – zoals gebruikelijk – niets gevraagd.

***

Donderdagavond, begin februari. De laatste uren van de dag tikken rustig weg. Ik heb een rangeerdienst en loop over het perron van spoor vijf en zes in Eindhoven. Als ik in noordoostelijke richting de hemel in kijk, zie ik een vallende ster. Ik wil altijd van alles en voor iedereen tegelijk, maar nu het erop aankomt kan ik geen enkele wens bedenken. Ik hef mijn schouders een keer op als verontschuldiging voor het de gebrekkige communicatie, als de meteoor plots van richting verandert. Het zal toch geen UFO zijn? Draai dan maar weer om. Vroeger was ik een echte sciencefiction-fanaat, maar als je tien jaar over het Nederlandse spoor boemelt heb je alle science wel als fiction voorbij zien komen. Ik kijk nog eens goed naar het onbekende vliegende object dat steeds dichterbij komt. Het heeft akelige tentakels die naar alle kanten uitsteken en waarmee het alles verslindt wat te dicht in de buurt komt. Nee, dit kan toch niet? Droom ik soms? Ik kijk nog eens goed, ik volg het terwijl het de laatste meters daalt. Geen vergissing mogelijk, dit is een SNEEUWVLOK!

Geschrokken doe ik een stap van voor naar achter, van links naar rechts – het lijflied van het CDA – en bedenk wat ik het beste kan doen. Kalm blijven, het radicale midden houden, dat lijkt me nu het belangrijkste. Op het hoofdkantoor zal eerst een vlokkentest moeten uitwijzen of het werkelijk om in kristalvorm bevroren water draait, zo ja, waar dat water dan van afkomstig is en wie er voor de schade gaat opdraaien. Het kan nog dagen duren voordat de uitslag de werkvloer bereikt.

Niet de sneeuw vertraagt, maar snelheidsbeperkingen vanwege slecht onderhouden infra.

Die avond is het stil in het personeelsverblijf. Iedereen kijkt naar de finale van ‘De Stem van Nederland’. De gedoodverfde winnares laadt zich op voor de slotnoot. Haar houding is nu extra belangrijk. Deze ene uithaal zal haar wereldfaam en een extravagant leven gaan bezorgen. Ze opent, sensueel knipogend in de camera, haar mond. Dan klinkt er een ijzingwekkende schreeuw.

‘Code Róód! Code Róóhóód!’ Met wild ontregeld haar stormt Ingrid Thijssen van achter de coulissen het podium op. Ze ziet er een tikje ontredderd uit, maar er brandt een vuur in haar ogen dat boekdelen spreekt: ‘Code Rood, en daar gaan jullie helemaal niets van merken.’
Angela Groothuizen stort zich huilend in haar armen. ‘Meid, wat een emotie in die stem, wat een emotie, ik krijg er kippenvel van.’
Ook De Mol pinkt een traantje weg. Het sms’ en had nog moeten beginnen.

Op een geheime locatie komen ondertussen de rayonhoofden bijeen. Zij kennen de werkvloer. Zij hebben oplossingen. Weg met al die spooktreinen, treinen die wel rijden maar waarvan niemand de bestemming kent of juist opgeheven treinen die naar een zijspoor zijn afgerangeerd terwijl ze volgens de computerschermen vrolijk hun rondje draaien. Het belangrijkste is nu de juiste informatie in de aanwijzers boven het perron te krijgen. Dat moet allemaal met de hand ingetypt worden via een gehackt programma, vandaar deze geheimzinnigheid. Monnikenwerk, maar In tijd van nood, verdient de plp zijn brood, een tegeltjeswijsheid die al bij oma boven het aanrecht hing. Slechts één van de procesleiders perron bezwijkt onder de spanning. Hij loopt rondjes rond de tafel en schreeuwt voortdurend tegen zichzelf: ‘This is not a drill, this is not a drill.’
Zijn traumatische oorlogsverleden is echter bij alle andere plp’s bekend. In militaire dienst was hij het hulpje van een geestelijk verzorger die hem overal als Miss. Dienaar introduceerde.

Rond de stations loopt alles op rolletjes. Het treinpersoneel staat op scherp. Code Rood, daar maak je geen grappen over. Een erg punctuele machinist, die, weer of geen weer, zo energiezuinig mogelijk wil rijden, dreigt zonder conducteur te vertrekken als deze niet heel snel de aftocht blaast. Een strenge conductrice toont geen genade: ‘Meneer, zonder stempel is dit kaartje niet geldig. Dat is al jaren zo en vandaag is geen uitzondering. Wat zegt u? Waar u een stempeltje moet halen? Wat dacht u van Bartlehiem?’

De Groepsraad volgt alles vanuit de hoogte. Ook zij hebben zicht op een UFO en ook zij weten niet zo goed wat ze ermee aanmoeten. De koffiejuffrouw fluistert tegen zichzelf, zodat iedereen rond de tafel het hoort, dat zij het ongezond vindt dat Ingrid Thijssen al een uur buiten staat af te koelen. ‘Maar ja, wie luistert er naar de vrouw die enkel de koffie rondbrengt?’
‘Buiten staat af te koelen?’ Bert Meerstadt veert op. ‘Staat ze na al dat bloed, zweet en tranen buiten af te koelen? Bij een gevoelstemperatuur van bijna dertig graden onder nul?’ Hij sprint naar de lift. Daar houdt een schoonmaker hem tegen.
‘Nee, meneer Meerstadt. Code Rood weet u wel? Geen liftgebruik voor u bij Code Rood! Alleen wij en catering.’

Met flinke vertraging vindt hij Ingrid Thijssen uiteindelijk bij het monument in de speeltuin. De fiere houding waarin ze is bevroren, laat een daadkrachtige leider zien. ‘Blijf hier nog maar even staan. Als in de ochtend de zon door je glazen huid breekt, zal je oogverblindend stralen,’ fluistert Bert tegen de ijssculptuur. ‘Teken van een mooie overwinning op de winter, gefeliciteerd. Dat je geheel op eigen houtje, zonder een gedegen vergadering te beleggen, de eerste twaalf stappen van Code Rood hebt overgeslagen, zullen ze je misschien nog wel vergeven. Maar de jaloezie omdat je je ook nog ‘Stem van Nederland’ mag noemen..?!

Vluchten kan weer, maar waarom zou je?

Gekleurde blik

Terreurdreiging?

Dinsdag 7 februari 2012, een heldere, zonnige dag. Ik kom net van een vergadering van de redactieraad van het NS-personeelsblad Oost-Brabant/Noord-Limburg – geen idee hoe ik daarin gekomen ben, maar ik mag nu wel met grote mensen praten – en loop door de stationshal van Eindhoven om als reserve-machinist de dag vol te maken. Via de luidsprekers hoor ik dat de dienstregeling ernstig verstoord is en dat reizigers naar de omroep moeten blijven luisteren voor meer informatie. Ik vlieg de eerste de beste trap op die ik tegenkom, weg van de mensen in de hal. Ik wil eerst op mijn gemak uitzoeken wat er precies aan de hand is, voordat ik vragen van reizigers probeer te beantwoorden.

 De zon schijnt recht in mijn gezicht, zodat ik niet direct zie waar dat brommende geluid vandaan komt. Het lijkt wel een stilhangende helikopter. In gedachte zie ik de rotorbladen in slow-motion afsteken tegen de felle zon. Een beeld dat je vaak in oorlogsfilms en andere Amerika-promotie-producten ziet. Als mijn ogen enigszins aan het licht gewend zijn, zie ik de helikopter recht boven mij in de lucht hangen. Ik zet er stevig de pas in en loop in de richting van de computerruimte onder de oude treindienstleiderspost. Ik moet het me verbeelden, maar het vliegende vehikel lijkt me te volgen. Als ik me niet vergis, hangt er zelfs iemand met een flinke telelens uit de laadruimte. Waarom zou de politie of een andere opsporingsdienst achter mij aanzitten? Ik heb geen terroristische plannen en ik heb ook geen geheime informatie in mijn bezit. Dan herinner ik mij een onbetekenend voorval van een dag geleden.

 Ik had een rangeerdienst en net de intercity naar Schiphol op spoor 5 geparkeerd. Omdat ik de volgende twintig minuten niets te doen had, liep ik terug naar het personeelsverblijf. In het voorbijgaan zag ik een man van rond de zestig, op een balkon aan het einde van de trein, bidden. Keurig op een naar het oosten gericht bidkleedje. Helemaal volgens de gespreksdiscipline, precies zoals NS het graag ziet.
Een stukje verderop liep ik de conducteur van de trein tegen het lijf.
‘Alk Aïda zit in je trein,’ fluisterde ik tegen hem. ‘Hij zit te bidden op het balkon met naast zich een grote koffer, waarschijnlijk een bom.’
De conducteur trok zo bleek weg, dat ik hem meteen vertelde dat het maar een grapje was en dat het een volstrekt normale persoon betrof die in de trein zat te bidden. Dat hij een grote koffer bij zich had, was niet zo bijzonder. Veel mensen nemen een koffer mee naar Schiphol. Geen paniek dus.
Maar de conducteur zag er geen humor in en liep haastig naar het verblijf om enkele minuten later weer tevoorschijn te komen. Ik weet niet wat hij daar gedaan heeft.

 En nu, nog geen dag later, word ik gevolgd door een helikopter. Gehaast open ik de deur van het gebouwtje aan het eind van het spoor. Ik loop door de stoffig grijze gang naar de computerruimte. Ik haal mijn camera uit mijn tas en probeer het toestel vanuit een raam te fotograferen. Vergeefse moeite, de helikopter hangt recht boven het gebouw. Buiten mijn zicht maar binnen gehoorsafstand.

 Dat duurt slechts enkele minuten, dan begint de herrie af te nemen. Zo snel dat het lijkt alsof de vliegmachine in de lucht is opgelost. Ik blijf nog een tijdje naar de computerschermen turen zonder echt iets te lezen. Ik voel me opgejaagd, rusteloos. Ik moet hier weg. Voorzichtig sluip ik naar de deur. Voetje voor voetje. Ik grijp naar de klink, half in de verwachting dat ik zo dadelijk iets anders dan een leeg perron voor me zal zien. Mijn hart klopt in mijn keel. Kom op, verman je. Je denkt toch niet dat de hele terreurbrigade uitrukt voor één grapje over een biddende gelovige?

Nee, dat denk ik niet. En het is trouwens een anti-terreurbrigade. Overmoedig gooi ik de buitendeur open en krijg direct een zwarte loop onder mijn neus geduwd. Een wapen van een kaliber dat geen gaatje in mijn hoofd schiet, maar in staat is mijn hoofd tot op navelhoogte van mijn romp te scheiden. Ik wil iets te zeggen, maar passende woorden schieten me zo niet te binnen.

Dan grijpt de commandant in. ‘Wacht mannen, dit is hem niet. De verdachte draagt een donkere bril, deze is van gewoon glas.’
Van gewoon glas? Weet jij wel wat deze bril gekost heeft? Een montuurloze bril met gratis enkelvoudige glazen. Tweehonderdnegenentwintig euro volgens het kaartje. Ik moest vijfhonderdnegen afrekenen. Die gratis glazen kosten dus bijna driehonderd euro, en dat noem jij gewoon? Daar heeft de commandant niet van terug. Ik heb het natuurlijk ook niet hardop gezegd. Hij negeert mij en leidt zijn mannen het oude en, op de computerruimte na, lege gebouw binnen op zoek naar een vermeende terrorist met een donkere bril.

 Ik houd mijn bril onder mijn jas en haast me naar de kantine. Pas binnen zet ik mijn extra kijkers weer op. Voor het eten, doe ik een klein schietgebedje. Heer, dank u voor de uitvinding van de meekleurende brillenglazen, Amen.

Kwestie van een lange adem

 Een nachtdienst, ergens aan het einde van januari. Na lange tijd, mag ik eindelijk weer eens een compleet rondje Nachtnet rijden. Sterker nog, er komt zelfs een stukje bij! Wegens geplande werkzaamheden in de Schiphol-tunnel, zal ik vannacht via Haarlem naar Leiden gaan. Een mooie rit door de bloembollenvelden, al is daar ’s nachts natuurlijk niet veel van te zien. En in januari nog minder.

 Helaas gooien herstelwerkzaamheden bij Hillegom roet in het eten. Mijn trein wordt opgeheven en ik mag van Bijsturing een uurtje het personeelsverblijf in Utrecht opzoeken. Bij de ingang loop ik een Eindhovense collega machinist tegen het lijf. Hij staat te kijken naar het plasmascherm dat de vertrekkende treinen en bijbehorende spoornummers hoort te tonen. De trein die hij moet rijden, staat er niet tussen. Hij moet de trein van Utrecht via Woerden en Alphen aan den Rijn naar Leiden rijden, in vaktermen ook wel Leiden Binnendoor genoemd. Ik zoek het voor hem op in mijn Railpocket, het elektronische brein van de machinist, maar ook dat apparaat heeft nooit van de bewuste trein in het Nachtnet gehoord. Evenmin verschijnt hij op de schermen van de halaanwijzer of wordt er iets omgeroepen. Uiteindelijk vertrekt hij wel. Stipt op fictieve tijd. Een onbekende trein met onbekende bestemming, vertrokken op een onbekend tijdstip vanaf een onbekend perron. Ja, reizen in het Nachtnet blijft spannend.

Duivendrecht

 Even later word ik zelf door Bijsturing gebeld. Van dat mooie rondje Nachtnet, waar ik me zo op verheugd heb, blijft alleen een ritje naar Amsterdam – en terug – over. Ik loop naar mijn trein, die wel in de Railpocket staat maar op een heel andere tijd vertrekt, en probeer de reizigers een zo goed mogelijk reisadvies te geven. Ondanks het feit dat de werkzaamheden bij Hillegom afgerond zijn, zullen er geen Nachtnet-treinen meer via die route rijden. Ik adviseer reizigers met bestemmingen als Rotterdam, Den Haag en Delft, met mij mee te reizen naar Amsterdam Centraal en met NS-bussen naar Schiphol te gaan. Van daaruit vertrekken er opnieuw bussen naar Leiden. Ik vertel er nog bij dat ze kunnen instappen bij het Barbizon Hotel, hoewel ik niet weet waar dat ligt. Ik ga er maar vanuit dat het dicht bij het station zal zijn. Zo komt ons treintje nog aardig vol. Vol goede moed rijd ik naar Amsterdam.

 Onderweg vraagt de conductrice of ik nog andere informatie heb ontvangen. Wat er met onze trein zal gebeuren als we Amsterdam bereikt hebben bijvoorbeeld. Ik kan haar geen antwoord geven. Hoewel we onder hetzelfde schuitje zitten, hebben we van Bijsturing verschillende treinnummers doorgekregen. Dat we in Amsterdam op een ander spoor binnenkomen dan vanwaar we later vertrekken, wekt de suggestie dat we van trein wisselen, maar zeker is dat beslist niet. Uiteindelijk zal blijken dat mijn trein na het keren in Amsterdam, terug zal rijden naar Utrecht om vervolgens door te gaan via Leiden en Den Haag naar Rotterdam. Al die reizigers voor Delft en Rotterdam, die ik in Utrecht mijn trein heb binnengelokt,  zitten dus min of meer al in de goede trein. De reis duurt alleen twee uur langer dan wanneer ze direct in de rechtstreekse intercity waren gestapt. Als ze tenminste die onbekende trein op dat onbekende tijdstip op een onbekend spoor in Utrecht hadden kunnen vinden. Nu hoeven ze niet meer te zoeken, ze zitten al in de juiste trein. Positief nieuws toch?

 Dit weten we echter nog niet als we Amsterdam naderen. De conductrice heeft zich dus nog voorbereid op busvervoer tussen Amsterdam en Schiphol en Schiphol en Leiden. In helder Nederlands vertelt ze waarom onze trein na Amsterdam niet verder rijdt en hoe Schiphol en Leiden met de bus te bereiken zijn. Ze spreekt zonder ook maar één onderbreking of pauze, maar in een rustig tempo, zodat ook de wat aangeschoten reiziger het kan volgen. Een enkeling dus, want het merendeel is gewoon bezopen. Er liggen meer plakkaten braaksel in de trein dan ik ooit gezien heb, al kunnen die, in verband met de staking van het schoonmaakpersoneel, ook enkele dagen oud zijn. Terwijl ik in gedachten, ongewild, voor me zie wat er gebeurt met gistend oud braaksel, blijft de conductrice aan één stuk door praten in de microfoon van de omroep. Na het lange verhaal in het Nederlands, schakelt ze probleemloos over naar het Engels. Vervolgens herhaalt ze het hele bericht nog een keer in beide talen. Geen enkele keer struikel ze over haar tong.

 Als ze eindelijk de hoorn van de omroep neerlegt, kijk ik haar bewonderend aan. Ze snapt direct waar ik het over heb. Ze haalt haar schouders op en reageert verdedigend: ‘O, maar tijdens het omroepen adem ik gewoon door hoor!’

Naderen Eindhoven Beukenlaan

Nachtvlo

Gevoelstemperatuur

 

Afvalgraaiende koele kraaien

Het noordelijkste deel van Friesland en Groningen krijgt dinsdagochtend te maken met een gevoelstemperatuur van -27 graden. In dat deel van het land wordt het circa -9 graden, maar de windkracht 5 die er dan staat, zorgt voor de erg lage gevoelstemperatuur, meldt weeronline.nl.

 Deze tekst was maandag 30 januari te lezen in dagblad De Pers. Ik moet bekennen dat ik er toch wel van schrok. Een gevoelstemperatuur van -27 graden? In Friesland? Gelukkig bracht Pauw & Witteman al snel duidelijkheid. De auteur had dit bericht compleet uit zijn duim gezogen. In Friesland is het al sinds mensenheugenis zo dat bij elke graad vorst méér, de Koorts twee of drie graden stijgt. Ze naderen in het noorden van Nederland dan ook vrij snel het kookpunt. Dat is hun ware gevoelstemperatuur. Sissende ijzers op bevroren water. It giet oan.

 Vandaag, woensdag 1 februari, had ik een rangeerdienst in Eindhoven. Veel buiten gelopen, maar zonder handschoenen en zonder muts. Zonder voering in mijn jas trouwens ook. Hebben we eindelijk een beetje winter, dan moet je het voelen ook. Jammer dat ik juist vandaag geen reizigerstreinen mocht rijden. Van een mooie rit door een maagdelijk sneeuwlandschap gaat mijn gevoelstemperatuur enorm omhoog. Al kan dat natuurlijk ook met de cabineverwarming te maken hebben.

 Voor ouderen en hele jonge kinderen kan de kou vervelender gevolgen hebben. Voor mensen die wat minder mobiel zijn en bijvoorbeeld met een rollator of stok lopen, liggen botbreuken op de loer. Jonge kinderen raken eerder onderkoeld dan volwassenen, omdat ze verhoudingsgewijs een groter lichaamsoppervlak hebben. Nu mijdt de eerste groep station Eindhoven al zoveel mogelijk, bij gebrek aan een mogelijkheid om zelfstandig de trap af te komen en een eventuele overstap te halen. Voor kersverse ouders is het nog even wennen.

Met kinderwagens wachten op de lift

 Zo stond ik halverwege de middag tegenover een jong echtpaar met een brede kinderwagen met daarin twee dik ingepakte rolletjes mens. Zij vroegen of er op het station van de grote stad Eindhoven ook een lift beschikbaar was. Ik antwoordde hen beleefd dat die lift er wel was, maar dat die slechts door een zeer select groepje medewerkers bediend mocht worden. Tot dat groepje behoorde beslist geen machinisten of conducteurs. Ik heb voor de ouders en hun kroost een servicemedewerker gebeld, meer kon ik niet doen. Ondertussen had zich nog een moeder met kind en een ezel bij het gezelschap gevoegd. Het leek in de rondstuivende sneeuw haast een kersttafereeltje.

 Zoals (bij velen niet) bekend, is de lift in Eindhoven niet meer te gebruiken door reizigers en het gewone personeel. De reden waarom dat zo is, is me – na bijna een jaar – nog altijd niet duidelijk. Ook weet niemand wie de verantwoordelijke is voor de liftafsluiting die al zoveel minder valide mensen van het station heeft verjaagd. De persoon in kwestie heeft zijn gezicht nooit aan de mensen, die op hulp voor het gebruik van de lift op een sleutelpersonage moesten wachten en daardoor hun overstapt misten waardoor ze een uur langer op een tochtig perron mochten wachten, laten zien. In eerste instantie was het lagere personeel verteld dat de lift op slot was gegaan op last van de brandweer. Maar toen de brandweer van niets bleek te weten, was het tóch gebeurd op last van de brandweer maar dan onverklaarbaar anders. Of iets dergelijks.

Kraai verjaagt ekster

Spil in deze waanzin is de sleutel. De sleutel waarmee de lift bediend kan worden, dat wil zeggen van begane grond naar perron of van perron naar begane grond gebracht kan worden, speelt een sleutelrol in dit verhaal. Iets of iemand bewaakt deze sleutel – en haar kopieën – alsof het om de Heilige Graal zelf gaat. Zodoende kon het gebeuren dat drie piepjonge kinderen een kwartier in de snijdende kou moesten wachten op de lift. Liever onderkoelde kinderen dan een machinist de lift laten bedienen. Daar daalt mijn gevoelstemperatuur dus flink van.

 Om het geheel toch een positieve draai te geven: bevriezing schijnt een mooie dood te zijn. Je zakt langzaam weg in een wereld van dromen en fantasieën, die je zelf creëert. Dan komt het goed uit dat de Heilige Graal in de buurt is, want dat betekent dat één van de kinderen in de wagens, de toekomstige Koning Arthur moet zijn, bekend van zijn ronde tafels. En als we één ding kunnen gebruiken, dan is het een jonge man, die, alle regels en gedragscodes negerend, met een krachtige, bijna magische armbeweging, het zwaard Excalibur uit de rots trekt en muren slecht die nooit opgetrokken hadden mogen worden. Sloten opent die nooit gesloten hadden mogen worden.

 Euhm…

 Ik denk dat ik even naar binnen ga. Volgens mij begin ik zelf enkele symptomen van onderkoeling te vertonen…

Positieve reisgedachte

Het is eindelijk winter, hoewel de term ‘horrorwinter’ voor Nederland nog een tikje overdreven lijkt. Treinreizigers die desondanks stranden, op een vreemd station of midden in het weiland, en hun bestemming niet meer kunnen bereiken, moet het volgende citaat toch hoop bieden:


Misschien zelfs een reden om tijdens een sneeuwstorm juist voor de trein te kiezen?

Clown met twee gezichten

Het Theater aan de Kalverstraat

Clown en toneelmeester

Het Theater aan de Kalverstraat

Een sprookje Géén sprookje!

 De Kalverstraat, schrik van het monopoly-spel. Waag het eens erheen te gaan wanneer er een hotel staat. Je wordt uitgekleed, daar is de huidige financiële crisis niets bij. En wat doet de Eindhovense clown Arno Huibers? Die bouwt, midden op de Kalverstraat, doodleuk een Theater. Zijn eigen Theater! Maar geen voorbijganger die er failliet gaat. Voor een grijpstuiver of twee, desnoods gegraaid uit de monopoly-bank, neemt de clown je mee in een wereld van fantasie. Een wereld met vele verdiepingen. Van diep onder de grond, tot hoog in de hemel. En toch allemaal tegelijk op hetzelfde toneel te bewonderen. Eén laag voor de allerkleinsten, één voor de wat oudere kinderen, één laag voor volwassenen, al blijft die laatste groep vrij vaak in de klei steken. Fantasie-angst.

 Toch is de clown heel gewoon gebleven. Hij staat niet de hele dag voor zijn Theater te pronken, maar trekt ook door het land en zelfs over de grenzen. Hij komt in landen waar nog nooit iemand van gehoord heeft. Kaartlezen zal wel niet zijn sterkste kant zijn en een clown met een TomTom bestaat niet. Dat weet ik omdat ik alle afleveringen van Pipo heb gezien en weet wie er nu in zijn wagen rijdt. Zondag 22 januari speelde Arno Huibers gelukkig een thuiswedstrijd in het Parktheater in Eindhoven. Veel kans op neerslag, weinig op verdwalen.

 ‘Tja, dat is sneu voor André van Duin. Die speelt nu voor een halfvolle zaal.’ Het eerste punt was al gescoord terwijl de wedstrijd nog moest beginnen. Een wedstrijd van anderhalf uur, zonder pauze en zonder ook maar één moment van verslapping. Wat een conditie heeft die clown. Ik moet het een voetballer nog zien doen. Terwijl een voetballer er bovenmatig voor betaald wil worden en de clown juist gelukkiger wordt van geven dan van nemen!

 Terug naar het toneel. In een fantasiewereld heeft tijd natuurlijk geen enkele betekenis. Als je ’s morgens wakker wordt, weet je toch ook niet hoe lang je laatste droom geduurd heeft? Zeker niet als het een mooie droom was. En laat dromen maar over aan deze clown. De enige clown met een bed in het Theater aan de Kalverstraat, droomt met Droomkracht 10. Gelukkig maar, want wie zou de rol van toneelmeester in het echt willen spelen? Rob Welsing is wel goed, maar niet gek. Na drie dagen zou hij tot zijn nek in het gips zitten en nog zou de clown met hem gooien, op zijn rug springen, wurgen, met een stok slaan en onder zijn tenen kriebelen, wetend dat de arme toneelmeester zich daar niet kon krabben.

 Ik houd niet van accordeonmuziek. Ik houd ook niet van walsen. Maar de muziek bij de voorstelling, walsen gespeeld op een accordeon, werkte betoverend. Het paste perfect bij de oude vrouw die als rode draad door de voorstelling kuierde. Ik kende haar nog uit Droomkracht 10, waar ze haar leven als in een film voorbij zag trekken, vanaf de tijd dat ze nog een jong meisje was. Over kinderen gesproken: het was wonderlijk om te zien hoe de clown vijf- en zesjarigen wist te inspireren. Terwijl ouders alleen vanwege hun kinderen in de zaal zeiden te zitten, had hun kroost, als vrijwilliger door Arno op het podium getrokken, aan een enkele oogopslag genoeg om door te hebben wat de clown van hen verlangde. Een klein meisje werd uitgedost als opwindclown en door Arno met mime in beweging gebracht. Als een robot stapte ze achter hem aan, het toneel over. Als een volleerd actrice die wist welke belangrijke rol ze speelde. Hoe kon ze dat weten? Welk kind van nu heeft er nog speelgoed waarbij je met een sleuteltje een stalen veer moet opdraaien? De magie van de clown was hierin zelfs zo sterk, dat mijn moeder zich na afloop hardop afvroeg of al die kinderen die op het toneel hadden gestaan, familie van de clown waren. Een serieuze vraag van mijn moeder, voor de clown – en de kinderen natuurlijk – het best denkbare compliment.

Stradivarius-banaan

 De Stradivarius-banaan, die met de strijkstok van een viool doormidden werd gespeeld, vond iedereen geweldig. Over de bom, die aan het eind moest ontploffen, waren de meningen verdeeld. Kinderen tot en met een jaar of zes, hadden liever niet dat de clown de lont aanstak. ‘Nee oma, dat wil ik niet. Dat wil ik echt niet,’ piepte een klein meisje op de rij achter ons. De oudere kinderen, snotneuzen van zeven en acht, zagen een stukje vuurwerk wel zitten. Mijn neefje van acht – mijn alibi – stemde voor, maar hij kent Droomkracht 10 van buiten en wist dus wat er komen ging.

 Zo komisch als de middag begonnen was, zo melancholiek eindigde hij. Het spatte niet als een zeepbel uit elkaar, zoals Droomkracht 10, maar sloot wel af met dezelfde oude vrouw. Het vorige programma deed ze dat als geriatrisch patiënt, opgesloten en dement. Dat scenario moet Arno dwars hebben gezeten. Veel te veel naar de werkelijkheid. Fantasie is het toverwoord, fantastisch moet het zijn. Hoewel de oude vrouw in De glimlach en de bom aanvankelijk hetzelfde lot lijkt te ondergaan, bevrijdt ze zich dapper van haar kwelgeesten als haar (overleden?) man op het toneel verschijnt. Even wil ze hem alles uitleggen, maar ze begrijpt dat woorden overbodig zijn. Ze zoekt in de vuilnisbak naar haar handtasje, dat de toneelmeester eerder bij het afval heeft gegooid. Ze doet er een appel in (zo is ze ook opgekomen,) pakt haar wandelstok, en loopt aan haar mans arm het toneel af. Oh nee, toch niet. Ze komen terug, zwaaien nog één keer naar het publiek en openen dan geruisloos het hekje dat de oude vrouw zojuist nog heeft geolied. Zorgvuldig wordt de poort weer gesloten. Dan verlaten ze definitief het toneel.

 Een lach en een traan. Op komische wijze een droevig verhaal vertellen. Oog voor details. Alles heeft een betekenis. Of meerdere betekenissen, zodat je nooit helemaal precies weet wat de clown bedoelt. Toeval bestaat niet, maar je hoeft ook niet in je lot te berusten. Alles geven, weinig krijgen. En die eeuwige twijfel: hebben ze wel gehoord wat ik eigenlijk wilde zeggen? Het is de tragiek van de clown. In het spotlicht ziet iedereen je staan, zelf ben je blind. Het tegenovergestelde van het lot van de machinist: vanuit de donkere cabine zie ik alles, maar niemand die mij ziet zitten. In feite dezelfde tragiek. Dus ook dezelfde oplossing: het creëren van een fantasiewereld. Hoe de wereld van Arno Huibers er nu uitziet – ik weet alleen dat die na mijn laatste bezoek verbouwd is – zal ik snel ontdekken. Wanneer ik de gevangenis passeer, platzak omdat mijn salaris één (glazen) oog te ver is, Rotterdam heelhuids achter me laat en het Theater aan de Kalverstraat bereik.

Radio

TheBirds

The Birds

Illustratieve foto. Niet het aantal vogels van het verhaal.

Soms sta je compleet overdonderd, met open mond, naar de hemel te staren. Tegelijk bonkt het in je hoofd: waar is mijn fototoestel? Nu, meteen! FOTOTOESTEL. Natuurlijk ligt dat ding dan thuis. Samen met je mobiele telefoon, camcorder en andere apparatuur waarmee je tegenwoordig plaatjes kan schieten.

 Vanmiddag, zaterdag 21 januari, had ik weer zo’n moment. De avond was net gevallen. Het duister werd versterkt door onheilspellende onweerswolken. Ik kwam uit de supermarkt waar ik een paar ‘vergeten’ boodschappen had gekocht. Een spottende lach, kraaiend van plezier en zo te horen uit vele kelen, trok mijn blik omhoog. Vanaf de spoorzijde, het traject van Eindhoven naar Helmond, vloog een enorme kolonie roeken – of ander kraaiachtigen – over het parkeerterrein. Niet in een zwerm, maar in een colonne van een paar meter breed en honderden meters lang. Even voorbij het hek draaide de hele troep een cirkel omhoog, om vervolgens verder zuidwaarts te vliegen. Daarbij bleef de lintvorm intact, schijnbaar stilhangend als een slinger boven de feesttafel van een jarig kind. Minutenlang hield deze luidruchtige zwarte band  stand. Het moeten vele honderden vogels geweest zijn.

 Ik dacht onmiddellijk aan de beroemde film van Alfred Hitchcock. Zouden deze vogels zich groeperen om op een later tijdstip dood en verderf te zaaien onder de menselijke bevolking? Maakten ze zich nu al vrolijk over de onverwachte “coup d’oiseaux” die ze gingen plegen? Eindelijk, verheugde ik me, hier kwam de horrorwinter waar ik al zo lang op zat te wachten. Ik had toevallig enkele dagen eerder nog iets over het waarheidsgehalte in The Birds gelezen. Het vreemde gedrag van de vogels zou het gevolg zijn van een schaaldiervergiftiging, die de hersenen van dieren zodanig aantast dat ze alle gevoel voor machtsverhoudingen verliezen. Muizen vallen plotseling katten aan, kikkers roven ooievaarsnesten leeg, sprinkhanen gaan op bezoek bij hun buren: de familie schorpioen en vogels vallen mensen aan.

 Ik keek om me heen of er al sprake was van een lichte paniek onder het winkelende publiek. Niet dus. Er viel nog geen half V’tje spanning van de gezichten te lezen. Iedereen haastte zich, met als enige zorg: zo droog mogelijk blijven, naar zijn of haar auto. Er keek zelfs niemand naar boven! Kraaien, zijn hier kraaien? Waar dan? Ik zie ze niet! Tja, als je niet in horrorverhalen gelooft en zelfs weigert je blik af en toe eens omhoog te richten, dan gebeurt er ook niets. Zal er ook nooit iets gebeuren. Zullen sprookjes en verhalen over terreur en verdediging, wanhoop en heldenmoed, goed en kwaad, nooit waarheid worden. Als zelfs de grote Hitchcock met zijn vogels blijft zitten, waar moet het dan heen met Eindhoven? Culturele hoofdstad zonder fantasie? Slimste regio ter wereld? Laat me niet kraaien.

Shield of Harmony; een middeleeuws toekomstverhaal

Middeleeuwse muziektafel

Soms zeggen beelden meer dan woorden. Bovenstaande foto toont de muziekzaal in een middeleeuws kasteel. Een eenvoudige tafel met daarop en eronder een dulcimelos, vedel, harp en twee luiten. We bevinden ons ergens in de eerste decennia van de vijftiende eeuw. Elektriciteit moet nog worden uitgevonden, maar de ster van vanavond, Oswald von Wolkenstein – het is niet helemaal duidelijk of dit zijn echte naam of een artiestennaam is – experimenteert vast wat met microfoonopstellingen.

 De playlist die hij heeft opgesteld, zorgt hier en daar voor gemompel. Zijn oeuvre van Sex & Drugs & Rock ‘n’ Roll heeft hem al twee keer eerder in de gevangenis doen belanden. De rechters gingen niet mee in zijn pleidooi dat hij, Oswald von Wolkenstein, de geboorte van Satire verpersoonlijkte. Gelukkig ziet hij in Andreas Scholl een uitstekende plaatsvervanger, al laat Scholl hem geregeld schrikken door plotseling van altus naar bariton te zakken, alsof hij zojuist een baard in zijn keel gekregen heeft. De baard van verteller Reinout Bussemaker waarschijnlijk, die nogal slordig is en zijn spullen overal laat rondslingeren.

 Vanavond gaat het echter allemaal goed. Een staande ovatie en zelfs tekstschrijver en aanwijzend edelman (Seur Régis) Jos Groenier wordt op het podium geroepen. Het wordt pas stil, als belichtingsman Uri Rapaport zijn kaarsen uitblaast. Joost Gulien staat er met een pijnlijk gezicht bij te kijken. Hij heeft het concert op beeld vastgelegd door van elke verandering op het podium een tekening te maken, een Vi d’Eo. Handig voor de musici van Shield of Harmony, om later hun sterke en minder sterke punten nog eens terug te zien. Het wachten is nu op de mogelijkheid om geluid op te nemen. Daarom staat het volgende optreden gepland in een stad die Endhoven heet. Het schijnt dat ene Filip daar het licht heeft gezien. Oswald von Wolkenstein droomt al over Disco.

Shield of Harmony met tekstschrijver/regisseur Jos Groenier

 

Stasis; the world according to musikFabrik

De nog lege wereld, oorverdovend stil

Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte? Een interessante, filosofische, existentiële vraag die componiste Rebecca Saunders (UK 1967) aan iedere musicus van musikFabrik afzonderlijk stelde als bron van inspiratie voor haar werk Stasis. Je kunt bij het woord ruimte natuurlijk aan diverse lege ruimtes denken, van garagebox tot loods, van douchehokje tot concertgebouw. Vanwege persoonlijke fascinaties denk ik direct aan het heelal, kort na de oerknal. Ik zie mezelf als toeschouwer, onaantastbaar, tussen exploderende sterrenstelsels, botsende planeten, giftige gaswolken en een overweldigend kleurenpalet van sterrennevels zweven.

 In een oorverdovende stilte, want geluid plant zich in het luchtledige niet voort. ***Dringend muzikanten voor de korte afstand gezocht!***

 Welke klank maak je dan het eerst? Helemaal geen gekke vraag. Er zijn meerdere scheppingsverhalen bekend waarin muziek een hoofdrol speelt. De mooiste ontstaanslegende vind ik nog altijd Ainulindalë van J.R.R. Tolkien. Schepper Ilúvatar laat daarin zijn Ainur door hem gecomponeerde muziek uitvoeren. Een bouwwerk dat steeds complexer wordt. Als één van zijn engelen vervolgens dissonanten aan de muziek toevoegt, ontstaan tegenstellingen, polarisaties. Ilúvatar laat zien wat zijn Ainur gecreëerd hebben. Een wereld vol strijd, de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Een wereld die vele tijdperken later bekend zal staan als Midden-Aarde en van de houterige hobbit Elijah Wood een held zal maken.

 Terug naar de muzikale kosmos en de keuze van klank. Ik zou zelf beginnen met een lang aanhoudend, donker geluid. In een lage toon ligt immers het hele muzikale stelsel van toonladders en klankverhoudingen besloten. Van daaruit kun je een wereld van ongebreidelde fantasie creëren. Fluitiste Helen Bledsoe denkt er waarschijnlijk hetzelfde over. Ze begint laag, maar doet vervolgens geen poging een harmonische klankwereld tevoorschijn te fluiten. In plaats daarvan lijkt ze een soort vervloeking over het publiek uit te spreken. Ze praat of fluistert in haar dwarsfluit, die soms instemmend mee bromt, maar haar ook regelmatig tegenspreekt. De fluitiste reageert daarop met een woedeaanval en door het geluid dat de twee antagonisten daarbij maken, vraag ik me af welke afschrikwekkende creaturen ik na afloop van de voorstelling in donker Amsterdam tegen het lijf zal lopen. Ik besluit alvast het traject van het Muziekgebouw naar het Centraal Station, één hele halte, per tram af te gaan leggen.

De eerste helft van musikFabrik

 Net als het echte heelal, staat dat van Rebecca Saunders niet stil. Als sterren en planeten draaien de musici alleen of in kleine groepjes om het publiek heen. Een enkele botsing is daarbij niet te voorkomen. Dat geeft bijzondere klankverhoudingen binnen het ensemble. Een dwarsfluit in je linkeroor overstemt een drummer op het podium, terwijl de trompettist op het podium zowel het publiek als de overige musici van hun stoel – of gereserveerde staanplaats – blaast. Jammer dat de solo-trompet hier enkel is ingezet om een kunstje hoog en hard te laten horen. Ik weet hoe moeilijk het is om dat zuiver te doen, maar op mij komt het te schreeuwerig over. De PVV-stemmer die luidruchtig verkondigt dat alles wat hij niet begrijpt, maar kapot moet worden gemaakt. Die hoef ik in de concertzaal niet tegen te komen. Gelukkig beperkt de piccolo zich tot enkele uithalen naar boven en blijft het gillen achterwege.

 Stasis, het werk voor zestien solisten, uitgevoerd door het achttienkoppige musikFabrik kabbelt zo vijftig minuten voort. Jammer dat er zich geen ruimte onder de zaal bevindt, anders had er ook een onderwereld geschapen kunnen worden. De fagot die als Balrog de trompet van het podium jaagt, had ik bijvoorbeeld een mooie toevoeging gevonden. Of de trombone die een kurk in de piccolo stopt. Het had de strijd tussen goed en kwaad, hoog en laag, een extra impuls gegeven. Nu is vijftig minuten net iets te lang. Er zit meer dynamiek in de spelers dan in het werk. Dat is jammer, omdat de opzet zo goed is. Elke luisteraar in de zaal is namelijk even het middelpunt van zijn eigen universum en het lijkt zelfs alsof je invloed kunt uitoefenen op de sterren en planeten die, soms zo dichtbij dat je ze aan kunt raken, soms onbereikbaar hoog, om je heen draaien.

 Volgens het programmaboekje is ook de dood, in de vorm van stilte, nadrukkelijk in het werk aanwezig. Dat ben ik toch niet helemaal met tekstschrijver Paul Janssen eens. Er sterft niets in de door Saunders en musikFabrik gecreëerde wereld. Niet in de zin dat er iets verloren gaat. Alle materie wordt direct opnieuw gebruikt in een eeuwig doorgaande beweging van wedergeboorte. Er is geen overgang tussen leven en dood, klank en stilte. Stilte is ook klank en daarmee is dood tegelijk leven. Althans in mijn wereld. En niemand heeft me verboden de vraag Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte eerst zelf te beantwoorden alvorens naar de muziek te luisteren. Dat is minimaal één muzikant met me eens. Zo niet, dan vertel ik iedereen bij Calefax dat hij is vreemdgegaan.

De tweede helft