Positieve reisgedachte

Het is eindelijk winter, hoewel de term ‘horrorwinter’ voor Nederland nog een tikje overdreven lijkt. Treinreizigers die desondanks stranden, op een vreemd station of midden in het weiland, en hun bestemming niet meer kunnen bereiken, moet het volgende citaat toch hoop bieden:


Misschien zelfs een reden om tijdens een sneeuwstorm juist voor de trein te kiezen?

Clown met twee gezichten

Het Theater aan de Kalverstraat

Clown en toneelmeester

Het Theater aan de Kalverstraat

Een sprookje Géén sprookje!

 De Kalverstraat, schrik van het monopoly-spel. Waag het eens erheen te gaan wanneer er een hotel staat. Je wordt uitgekleed, daar is de huidige financiële crisis niets bij. En wat doet de Eindhovense clown Arno Huibers? Die bouwt, midden op de Kalverstraat, doodleuk een Theater. Zijn eigen Theater! Maar geen voorbijganger die er failliet gaat. Voor een grijpstuiver of twee, desnoods gegraaid uit de monopoly-bank, neemt de clown je mee in een wereld van fantasie. Een wereld met vele verdiepingen. Van diep onder de grond, tot hoog in de hemel. En toch allemaal tegelijk op hetzelfde toneel te bewonderen. Eén laag voor de allerkleinsten, één voor de wat oudere kinderen, één laag voor volwassenen, al blijft die laatste groep vrij vaak in de klei steken. Fantasie-angst.

 Toch is de clown heel gewoon gebleven. Hij staat niet de hele dag voor zijn Theater te pronken, maar trekt ook door het land en zelfs over de grenzen. Hij komt in landen waar nog nooit iemand van gehoord heeft. Kaartlezen zal wel niet zijn sterkste kant zijn en een clown met een TomTom bestaat niet. Dat weet ik omdat ik alle afleveringen van Pipo heb gezien en weet wie er nu in zijn wagen rijdt. Zondag 22 januari speelde Arno Huibers gelukkig een thuiswedstrijd in het Parktheater in Eindhoven. Veel kans op neerslag, weinig op verdwalen.

 ‘Tja, dat is sneu voor André van Duin. Die speelt nu voor een halfvolle zaal.’ Het eerste punt was al gescoord terwijl de wedstrijd nog moest beginnen. Een wedstrijd van anderhalf uur, zonder pauze en zonder ook maar één moment van verslapping. Wat een conditie heeft die clown. Ik moet het een voetballer nog zien doen. Terwijl een voetballer er bovenmatig voor betaald wil worden en de clown juist gelukkiger wordt van geven dan van nemen!

 Terug naar het toneel. In een fantasiewereld heeft tijd natuurlijk geen enkele betekenis. Als je ’s morgens wakker wordt, weet je toch ook niet hoe lang je laatste droom geduurd heeft? Zeker niet als het een mooie droom was. En laat dromen maar over aan deze clown. De enige clown met een bed in het Theater aan de Kalverstraat, droomt met Droomkracht 10. Gelukkig maar, want wie zou de rol van toneelmeester in het echt willen spelen? Rob Welsing is wel goed, maar niet gek. Na drie dagen zou hij tot zijn nek in het gips zitten en nog zou de clown met hem gooien, op zijn rug springen, wurgen, met een stok slaan en onder zijn tenen kriebelen, wetend dat de arme toneelmeester zich daar niet kon krabben.

 Ik houd niet van accordeonmuziek. Ik houd ook niet van walsen. Maar de muziek bij de voorstelling, walsen gespeeld op een accordeon, werkte betoverend. Het paste perfect bij de oude vrouw die als rode draad door de voorstelling kuierde. Ik kende haar nog uit Droomkracht 10, waar ze haar leven als in een film voorbij zag trekken, vanaf de tijd dat ze nog een jong meisje was. Over kinderen gesproken: het was wonderlijk om te zien hoe de clown vijf- en zesjarigen wist te inspireren. Terwijl ouders alleen vanwege hun kinderen in de zaal zeiden te zitten, had hun kroost, als vrijwilliger door Arno op het podium getrokken, aan een enkele oogopslag genoeg om door te hebben wat de clown van hen verlangde. Een klein meisje werd uitgedost als opwindclown en door Arno met mime in beweging gebracht. Als een robot stapte ze achter hem aan, het toneel over. Als een volleerd actrice die wist welke belangrijke rol ze speelde. Hoe kon ze dat weten? Welk kind van nu heeft er nog speelgoed waarbij je met een sleuteltje een stalen veer moet opdraaien? De magie van de clown was hierin zelfs zo sterk, dat mijn moeder zich na afloop hardop afvroeg of al die kinderen die op het toneel hadden gestaan, familie van de clown waren. Een serieuze vraag van mijn moeder, voor de clown – en de kinderen natuurlijk – het best denkbare compliment.

Stradivarius-banaan

 De Stradivarius-banaan, die met de strijkstok van een viool doormidden werd gespeeld, vond iedereen geweldig. Over de bom, die aan het eind moest ontploffen, waren de meningen verdeeld. Kinderen tot en met een jaar of zes, hadden liever niet dat de clown de lont aanstak. ‘Nee oma, dat wil ik niet. Dat wil ik echt niet,’ piepte een klein meisje op de rij achter ons. De oudere kinderen, snotneuzen van zeven en acht, zagen een stukje vuurwerk wel zitten. Mijn neefje van acht – mijn alibi – stemde voor, maar hij kent Droomkracht 10 van buiten en wist dus wat er komen ging.

 Zo komisch als de middag begonnen was, zo melancholiek eindigde hij. Het spatte niet als een zeepbel uit elkaar, zoals Droomkracht 10, maar sloot wel af met dezelfde oude vrouw. Het vorige programma deed ze dat als geriatrisch patiënt, opgesloten en dement. Dat scenario moet Arno dwars hebben gezeten. Veel te veel naar de werkelijkheid. Fantasie is het toverwoord, fantastisch moet het zijn. Hoewel de oude vrouw in De glimlach en de bom aanvankelijk hetzelfde lot lijkt te ondergaan, bevrijdt ze zich dapper van haar kwelgeesten als haar (overleden?) man op het toneel verschijnt. Even wil ze hem alles uitleggen, maar ze begrijpt dat woorden overbodig zijn. Ze zoekt in de vuilnisbak naar haar handtasje, dat de toneelmeester eerder bij het afval heeft gegooid. Ze doet er een appel in (zo is ze ook opgekomen,) pakt haar wandelstok, en loopt aan haar mans arm het toneel af. Oh nee, toch niet. Ze komen terug, zwaaien nog één keer naar het publiek en openen dan geruisloos het hekje dat de oude vrouw zojuist nog heeft geolied. Zorgvuldig wordt de poort weer gesloten. Dan verlaten ze definitief het toneel.

 Een lach en een traan. Op komische wijze een droevig verhaal vertellen. Oog voor details. Alles heeft een betekenis. Of meerdere betekenissen, zodat je nooit helemaal precies weet wat de clown bedoelt. Toeval bestaat niet, maar je hoeft ook niet in je lot te berusten. Alles geven, weinig krijgen. En die eeuwige twijfel: hebben ze wel gehoord wat ik eigenlijk wilde zeggen? Het is de tragiek van de clown. In het spotlicht ziet iedereen je staan, zelf ben je blind. Het tegenovergestelde van het lot van de machinist: vanuit de donkere cabine zie ik alles, maar niemand die mij ziet zitten. In feite dezelfde tragiek. Dus ook dezelfde oplossing: het creëren van een fantasiewereld. Hoe de wereld van Arno Huibers er nu uitziet – ik weet alleen dat die na mijn laatste bezoek verbouwd is – zal ik snel ontdekken. Wanneer ik de gevangenis passeer, platzak omdat mijn salaris één (glazen) oog te ver is, Rotterdam heelhuids achter me laat en het Theater aan de Kalverstraat bereik.

Radio

TheBirds

The Birds

Illustratieve foto. Niet het aantal vogels van het verhaal.

Soms sta je compleet overdonderd, met open mond, naar de hemel te staren. Tegelijk bonkt het in je hoofd: waar is mijn fototoestel? Nu, meteen! FOTOTOESTEL. Natuurlijk ligt dat ding dan thuis. Samen met je mobiele telefoon, camcorder en andere apparatuur waarmee je tegenwoordig plaatjes kan schieten.

 Vanmiddag, zaterdag 21 januari, had ik weer zo’n moment. De avond was net gevallen. Het duister werd versterkt door onheilspellende onweerswolken. Ik kwam uit de supermarkt waar ik een paar ‘vergeten’ boodschappen had gekocht. Een spottende lach, kraaiend van plezier en zo te horen uit vele kelen, trok mijn blik omhoog. Vanaf de spoorzijde, het traject van Eindhoven naar Helmond, vloog een enorme kolonie roeken – of ander kraaiachtigen – over het parkeerterrein. Niet in een zwerm, maar in een colonne van een paar meter breed en honderden meters lang. Even voorbij het hek draaide de hele troep een cirkel omhoog, om vervolgens verder zuidwaarts te vliegen. Daarbij bleef de lintvorm intact, schijnbaar stilhangend als een slinger boven de feesttafel van een jarig kind. Minutenlang hield deze luidruchtige zwarte band  stand. Het moeten vele honderden vogels geweest zijn.

 Ik dacht onmiddellijk aan de beroemde film van Alfred Hitchcock. Zouden deze vogels zich groeperen om op een later tijdstip dood en verderf te zaaien onder de menselijke bevolking? Maakten ze zich nu al vrolijk over de onverwachte “coup d’oiseaux” die ze gingen plegen? Eindelijk, verheugde ik me, hier kwam de horrorwinter waar ik al zo lang op zat te wachten. Ik had toevallig enkele dagen eerder nog iets over het waarheidsgehalte in The Birds gelezen. Het vreemde gedrag van de vogels zou het gevolg zijn van een schaaldiervergiftiging, die de hersenen van dieren zodanig aantast dat ze alle gevoel voor machtsverhoudingen verliezen. Muizen vallen plotseling katten aan, kikkers roven ooievaarsnesten leeg, sprinkhanen gaan op bezoek bij hun buren: de familie schorpioen en vogels vallen mensen aan.

 Ik keek om me heen of er al sprake was van een lichte paniek onder het winkelende publiek. Niet dus. Er viel nog geen half V’tje spanning van de gezichten te lezen. Iedereen haastte zich, met als enige zorg: zo droog mogelijk blijven, naar zijn of haar auto. Er keek zelfs niemand naar boven! Kraaien, zijn hier kraaien? Waar dan? Ik zie ze niet! Tja, als je niet in horrorverhalen gelooft en zelfs weigert je blik af en toe eens omhoog te richten, dan gebeurt er ook niets. Zal er ook nooit iets gebeuren. Zullen sprookjes en verhalen over terreur en verdediging, wanhoop en heldenmoed, goed en kwaad, nooit waarheid worden. Als zelfs de grote Hitchcock met zijn vogels blijft zitten, waar moet het dan heen met Eindhoven? Culturele hoofdstad zonder fantasie? Slimste regio ter wereld? Laat me niet kraaien.

Shield of Harmony; een middeleeuws toekomstverhaal

Middeleeuwse muziektafel

Soms zeggen beelden meer dan woorden. Bovenstaande foto toont de muziekzaal in een middeleeuws kasteel. Een eenvoudige tafel met daarop en eronder een dulcimelos, vedel, harp en twee luiten. We bevinden ons ergens in de eerste decennia van de vijftiende eeuw. Elektriciteit moet nog worden uitgevonden, maar de ster van vanavond, Oswald von Wolkenstein – het is niet helemaal duidelijk of dit zijn echte naam of een artiestennaam is – experimenteert vast wat met microfoonopstellingen.

 De playlist die hij heeft opgesteld, zorgt hier en daar voor gemompel. Zijn oeuvre van Sex & Drugs & Rock ‘n’ Roll heeft hem al twee keer eerder in de gevangenis doen belanden. De rechters gingen niet mee in zijn pleidooi dat hij, Oswald von Wolkenstein, de geboorte van Satire verpersoonlijkte. Gelukkig ziet hij in Andreas Scholl een uitstekende plaatsvervanger, al laat Scholl hem geregeld schrikken door plotseling van altus naar bariton te zakken, alsof hij zojuist een baard in zijn keel gekregen heeft. De baard van verteller Reinout Bussemaker waarschijnlijk, die nogal slordig is en zijn spullen overal laat rondslingeren.

 Vanavond gaat het echter allemaal goed. Een staande ovatie en zelfs tekstschrijver en aanwijzend edelman (Seur Régis) Jos Groenier wordt op het podium geroepen. Het wordt pas stil, als belichtingsman Uri Rapaport zijn kaarsen uitblaast. Joost Gulien staat er met een pijnlijk gezicht bij te kijken. Hij heeft het concert op beeld vastgelegd door van elke verandering op het podium een tekening te maken, een Vi d’Eo. Handig voor de musici van Shield of Harmony, om later hun sterke en minder sterke punten nog eens terug te zien. Het wachten is nu op de mogelijkheid om geluid op te nemen. Daarom staat het volgende optreden gepland in een stad die Endhoven heet. Het schijnt dat ene Filip daar het licht heeft gezien. Oswald von Wolkenstein droomt al over Disco.

Shield of Harmony met tekstschrijver/regisseur Jos Groenier

 

Stasis; the world according to musikFabrik

De nog lege wereld, oorverdovend stil

Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte? Een interessante, filosofische, existentiële vraag die componiste Rebecca Saunders (UK 1967) aan iedere musicus van musikFabrik afzonderlijk stelde als bron van inspiratie voor haar werk Stasis. Je kunt bij het woord ruimte natuurlijk aan diverse lege ruimtes denken, van garagebox tot loods, van douchehokje tot concertgebouw. Vanwege persoonlijke fascinaties denk ik direct aan het heelal, kort na de oerknal. Ik zie mezelf als toeschouwer, onaantastbaar, tussen exploderende sterrenstelsels, botsende planeten, giftige gaswolken en een overweldigend kleurenpalet van sterrennevels zweven.

 In een oorverdovende stilte, want geluid plant zich in het luchtledige niet voort. ***Dringend muzikanten voor de korte afstand gezocht!***

 Welke klank maak je dan het eerst? Helemaal geen gekke vraag. Er zijn meerdere scheppingsverhalen bekend waarin muziek een hoofdrol speelt. De mooiste ontstaanslegende vind ik nog altijd Ainulindalë van J.R.R. Tolkien. Schepper Ilúvatar laat daarin zijn Ainur door hem gecomponeerde muziek uitvoeren. Een bouwwerk dat steeds complexer wordt. Als één van zijn engelen vervolgens dissonanten aan de muziek toevoegt, ontstaan tegenstellingen, polarisaties. Ilúvatar laat zien wat zijn Ainur gecreëerd hebben. Een wereld vol strijd, de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Een wereld die vele tijdperken later bekend zal staan als Midden-Aarde en van de houterige hobbit Elijah Wood een held zal maken.

 Terug naar de muzikale kosmos en de keuze van klank. Ik zou zelf beginnen met een lang aanhoudend, donker geluid. In een lage toon ligt immers het hele muzikale stelsel van toonladders en klankverhoudingen besloten. Van daaruit kun je een wereld van ongebreidelde fantasie creëren. Fluitiste Helen Bledsoe denkt er waarschijnlijk hetzelfde over. Ze begint laag, maar doet vervolgens geen poging een harmonische klankwereld tevoorschijn te fluiten. In plaats daarvan lijkt ze een soort vervloeking over het publiek uit te spreken. Ze praat of fluistert in haar dwarsfluit, die soms instemmend mee bromt, maar haar ook regelmatig tegenspreekt. De fluitiste reageert daarop met een woedeaanval en door het geluid dat de twee antagonisten daarbij maken, vraag ik me af welke afschrikwekkende creaturen ik na afloop van de voorstelling in donker Amsterdam tegen het lijf zal lopen. Ik besluit alvast het traject van het Muziekgebouw naar het Centraal Station, één hele halte, per tram af te gaan leggen.

De eerste helft van musikFabrik

 Net als het echte heelal, staat dat van Rebecca Saunders niet stil. Als sterren en planeten draaien de musici alleen of in kleine groepjes om het publiek heen. Een enkele botsing is daarbij niet te voorkomen. Dat geeft bijzondere klankverhoudingen binnen het ensemble. Een dwarsfluit in je linkeroor overstemt een drummer op het podium, terwijl de trompettist op het podium zowel het publiek als de overige musici van hun stoel – of gereserveerde staanplaats – blaast. Jammer dat de solo-trompet hier enkel is ingezet om een kunstje hoog en hard te laten horen. Ik weet hoe moeilijk het is om dat zuiver te doen, maar op mij komt het te schreeuwerig over. De PVV-stemmer die luidruchtig verkondigt dat alles wat hij niet begrijpt, maar kapot moet worden gemaakt. Die hoef ik in de concertzaal niet tegen te komen. Gelukkig beperkt de piccolo zich tot enkele uithalen naar boven en blijft het gillen achterwege.

 Stasis, het werk voor zestien solisten, uitgevoerd door het achttienkoppige musikFabrik kabbelt zo vijftig minuten voort. Jammer dat er zich geen ruimte onder de zaal bevindt, anders had er ook een onderwereld geschapen kunnen worden. De fagot die als Balrog de trompet van het podium jaagt, had ik bijvoorbeeld een mooie toevoeging gevonden. Of de trombone die een kurk in de piccolo stopt. Het had de strijd tussen goed en kwaad, hoog en laag, een extra impuls gegeven. Nu is vijftig minuten net iets te lang. Er zit meer dynamiek in de spelers dan in het werk. Dat is jammer, omdat de opzet zo goed is. Elke luisteraar in de zaal is namelijk even het middelpunt van zijn eigen universum en het lijkt zelfs alsof je invloed kunt uitoefenen op de sterren en planeten die, soms zo dichtbij dat je ze aan kunt raken, soms onbereikbaar hoog, om je heen draaien.

 Volgens het programmaboekje is ook de dood, in de vorm van stilte, nadrukkelijk in het werk aanwezig. Dat ben ik toch niet helemaal met tekstschrijver Paul Janssen eens. Er sterft niets in de door Saunders en musikFabrik gecreëerde wereld. Niet in de zin dat er iets verloren gaat. Alle materie wordt direct opnieuw gebruikt in een eeuwig doorgaande beweging van wedergeboorte. Er is geen overgang tussen leven en dood, klank en stilte. Stilte is ook klank en daarmee is dood tegelijk leven. Althans in mijn wereld. En niemand heeft me verboden de vraag Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte eerst zelf te beantwoorden alvorens naar de muziek te luisteren. Dat is minimaal één muzikant met me eens. Zo niet, dan vertel ik iedereen bij Calefax dat hij is vreemdgegaan.

De tweede helft

 

Ze danst mijn wereld binnen

Naderen station Amsterdam Zuid

Klein verhaaltje dat precies

past in de stilte

tussen twee

tracks

op de
iPod 

Amsterdam, zondag 8 januari 2012, 21:22 uur. Ik ben net, met de intercity van Schiphol naar Utrecht, gestopt in Amsterdam Zuid. Ik hoor dat de deuren achter mijn cabine geopend worden. Een paar tellen later zie ik rechts van mij een kleine vrouw – of een jong meisje – in de richting van de trap lopen. Ze heeft een kleurrijke jas aan met een rode kunstbontkraag rond haar nek. Haar leeftijd is moeilijk te schatten, vooral omdat ze een, eveneens rode, ijsmuts diep over haar oren heeft getrokken. Na een paar stappen, die ze bijna swingend aflegt, staat ze plotseling stil en lijkt iets in haar handtas te zoeken. Een Aziatisch uitziende man in een lichtblauwe, goed gevoerde winterjas, loopt bijna tegen haar op. Zonder een woord of zelfs maar een blik te wisselen loopt hij vervolgens om haar heen, een klein koffertje op wieltjes achter zich aan trekkend. Ik schat de man op ongeveer één meter zeventig, het meisje rijkt net tot het begin van zijn borstbeen. Misschien een puber die ouder wil lijken.

 Als de vrouw een paar stappen naar voren loopt, zie ik dat ze geen tasje bij zich heeft. Het is een iPod die ze in haar handen houdt. Met twee vingers tilt ze haar muts een stukje op, haalt met haar rechterhand het kleine luidsprekertje uit haar linker oor en draait het er weer in terug. De rimpels in haar gezicht verraden een hogere leeftijd dan ik gezien haar lengte had verwacht. Met haar donkere huidskleur zou het zo’n gezellige Surinaamse kletstante kunnen zijn, maar haar postuur komt niet eens in de buurt van dat van Tante Es. Als de iPod weer goed zit, huppelt ze verder naar de trap. Ze danst niet echt en zingt niet mee zoals je Zuid-Afrikanen vaak ziet doen. Haar nek beweegt nauwelijks. Ze lijkt meer te huppelen, vederlicht door het leven te bewegen met de muziek in haar oren als brandstof voor haar benen.

 Als ze bovenaan de trap staat, buigt ze even door haar knieën en tuurt met samengeknepen ogen naar beneden. Dan recht ze haar rug en loopt drie of vier treden omlaag. Daar staat ze abrupt stil, blijft een moment besluiteloos staan en kijkt nog eens goed naar iets of iemand onderaan de trap. Zonder een spier in haar gezicht te vertrekken draait ze vervolgens om en klimt terug naar boven. Daar haalt ze nogmaals het dopje uit haar linker oor, om het er opnieuw in te draaien. Ze kijkt naar het schermpje op haar iPod, maar lijkt niets te wijzigen. Misschien stonden haar benen zo plotseling stil omdat ze tussen twee songs inzat. Stilte is voor sommige mensen moeilijker te verdragen dan een pistoolschot. Als de muziek weer klinkt, brengen haar benen als vanzelf haar lichaam in beweging. Wat zich ook aan het andere einde van de trap bevond, ze keurt het geen blik meer waardig. Ze huppelt om de trap heen, op weg naar de andere uitgang, ver buiten mijn zicht. In een paar tellen danst ze mijn wereld uit.

Bankencrisis - behalve voor de directie - Amsterdam Zuid

RegenboogArenA

‘t kan Friesen, ‘t kan dooien


‘t Kan Friesen, ‘t kan dooien. Een oud gezegde waar ze op dit moment in het noorden van het land geen bal aan hebben, wat op zich niet erg is, want bij het schaatsen heb je geen bal nodig. Ja, een bal gehakt na afloop, dat fietst er altijd wel in. Dat is dan weer een meevaller, want je fietst tegenwoordig niet meer zomaar overal in. In de trein bijvoorbeeld. Buiten de spits mag het nog wel, maar waar laat je dat kreng? Als het buiten regent en je stapt in op een station als Horst-Sevenum -dat noch in Horst, noch in Sevenum ligt, maar op een stuk boerenland in het midden van nergens- zul je als verzopen kater met een fiets, op weinig begrip van medereizigers kunnen rekenen. Op dit moment dreigen er trouwens veel katers te verzuipen, vooral in Groningen. Heel wat boeren zijn al geëvacueerd, maar de dieren zijn op de boerderij achtergebleven. Katten zullen er tijdelijk omkomen in het geluk, zoveel muizen worden door het wassende water hogerop gedreven. Daar hebben ze dan ook negen levens voor. Maar terwijl de poezen zich katers zuipen en de katers te veel mauwen om te muizen, nemen de ratten het roer over. Het is de enige soort die nog in staat is zwemles te betalen. Ze houden de katten aan het feesten door meer muizen en nóg meer muizen te beloven en gaan er vervolgens, net voor de dijken breken, met de kas vandoor. Nu valt de schade aan de kassen nog wel mee. Die kunnen wel tegen wat water, zolang het niet in de vorm van hagel uit de hemel wordt geschoten. Werd er maar geschoten, verzucht menig rayonhoofd, ijsmeesterhoofd of ander belangrijk hoofd in Friesland. Met dromerige blik denken de hoofden aan het startschot van 1963. Wat een hel was dat. Bij het horen van de naam Reinier Paping schieten ze vol, waardoor verscheidene kassen alsnog sneuvelen. Paping hield aan zijn overwinning niet veel over. Met het maken van reclame voor een soort pap met pitjes, hield hij een föhn over. Een warme droge wind die hij goed kon gebruiken om de pijn aan zijn bevroren tenen te verzachten. Die föhn waait nog steeds, wat voor veel smeltwater zorgt in de Alpen. De regen voegt zich bij dat water en als eerbetoon aan hun stichter stromen ze gezamenlijk naar Friesland. Als ware hooligans slopen ze alles wat in hun buurt komt, van dijk tot sluis. De Friesen zien het al van verre aankomen. Als je één van hen vraagt wat hij er van denkt, krijg je als antwoord: ‘Tja, ’t kan Friesen, ’t kan dooien.’ Een oud gezegde waar ze op dit moment in het noorden van het land geen bal aan hebben, wat op zich niet erg is, want bij het schaatsen heb je geen bal nodig. Ja, een bal gehakt na afloop, dat fietst er altijd wel in. Dat is dan weer een meevaller, want je fietst tegenwoordig niet meer zomaar overal in. In de trein bijvoorbeeld. Buiten de spits mag het nog wel, maar waar laat je dat kreng? Als het buiten regent en je stapt in op een station als Horst-Sevenum -dat noch in Horst, noch in Sevenum ligt, maar op een stuk boerenland in het midden van nergens- zul je als verzopen kater met een fiets, op weinig begrip van medereizigers kunnen rekenen. Op dit moment dreigen er trouwens veel katers te verzuipen, vooral in Groningen. Heel wat boeren zijn al geëvacueerd, maar de dieren zijn op de boerderij achtergebleven. Katten zullen er tijdelijk omkomen in het geluk, zoveel muizen worden door het wassende water hogerop gedreven. Daar hebben ze dan ook negen levens voor. Maar terwijl de poezen zich katers zuipen en de katers te veel mauwen om te muizen, nemen de ratten het roer over. Het is de enige soort die nog in staat is zwemles te betalen. Ze houden de katten aan het feesten door meer muizen en nóg meer muizen te beloven en gaan er vervolgens, net voor de dijken breken, met de kas vandoor. Nu valt de schade aan de kassen nog wel mee. Die kunnen wel tegen wat water, zolang het niet in de vorm van hagel uit de hemel wordt geschoten. En hagelen deed het juist wel, deze eerste maandag in januari. Kort maar hevig tussen regen- en onweersbuien, vriendelijke schapenwolken, stormwind en een stralende zon in een strakblauwe hemel door. In één dag, minder nog, in één enkel ritje van Eindhoven naar Schiphol, heb ik alle weertypes van 2012 al gezien. Voorspellingen laat ik dus maar over aan de weergoden. Hun uitlatingen zie je in het filmpje. Ik kan zelf alleen maar zeggen: het kan vriezen, het kan dooien. Een oud gezegde waar ze op dit moment in het noorden van het land geen bal aan hebben, wat op zich niet erg is, want bij het schaatsen heb je geen bal nodig. Ja, een bal gehakt na afloop, dat fietst er altijd wel in. Dat is dan weer een meevaller, want je fietst tegenwoordig niet meer zomaar overal in. In de trein bijvoorbeeld. Buiten de spits mag het nog wel, maar waar laat je dat kreng? Als het buiten regent en je stapt in op een station als Horst-Sevenum -dat noch in Horst, noch in Sevenum ligt, maar op een stuk boerenland in het midden van nergens- zul je als verzopen kater met een fiets, op weinig begrip van medereizigers kunnen rekenen. Op dit moment dreigen er trouwens veel katers te verzuipen, vooral in Groningen. Heel wat boeren zijn al geëvacueerd, maar de dieren zijn op de boerderij achtergebleven. Katten zullen er tijdelijk omkomen in het geluk, zoveel muizen worden door het water hogerop gedreven. Daar hebben ze dan ook negen levens voor. Maar terwijl de poezen zich katers zuipen en de katers te veel mauwen om te muizen, nemen de ratten het roer over.

Is er toevallig een houthakker in de trein?

Dinsdag 3 januari 2012. Vandaag wordt het ongelijk aangetoond van mensen die beweren dat één sneeuwvlok de hele treindienst verlamt. We hebben die sneeuw namelijk helemaal niet nodig! Ook zonder winterweer weten we er best een puinhoop van te maken. Daarin geholpen door onze vriend ProRail die, na een dipje en een rotweek, nu stevig de wind van voren krijgt.

 We krijgen deze dinsdag ook wel alles tegelijk voor onze kiezen. Dat begint ’s morgens al vroeg, als in Utrecht een reiziger zijn bagage op het perron laat staan en deze koffer vervolgens als verdacht pakket alleen op reis gaat. Op reis met de Explosieven Opruimings Dienst welteverstaan. Gelukkig duurt de blokkade niet lang. Waarschijnlijk komt de eigenaar van de koffer net terug van een verre reis en bestaat zijn bagage voornamelijk uit gebruikte onderbroeken en stinkende zweetsokken, want de politie weet niet hoe snel ze het perron weer vrij moet geven.

 Het blijft niet bij deze ene verstoring. Defecte treinen zorgen voor vertragingen tussen Amsterdam en Schiphol, aanrijdingen blokkeren het spoor bij Wolfheze en Tilburg. Een aanhoudend briesje – sommigen noemen het storm of imposant zuidwesterstorm – laat grote takken en struiken in het rond vliegen, blaast pannen van het dak en ontneemt bestuurders van voertuigen het zicht door grote stukken landbouwplastic tegen de voorruit te plakken. Bijsturing (klik hier voor meer informatie over Bijsturing) stuurt zich het vuur uit de polsen om zoveel mogelijk treinen te voorzien van conducteur en machinist. Met meerdere stremmingen tegelijk, geen gemakkelijke opgave. Zeker niet als trein, machinist en conducteur zich op drie verschillende plaatsen bevinden en een kwaadaardige eik hen uit elkaar drijft.

 Gelukkig heeft Bijsturing de beschikking over een aantal jokers. In noodgevallen, als de bijstuurder echt geen andere uitweg meer ziet, zet hij die in. Inderdaad, de joker inzetten is een heel oud spoorgezegde. Toevallig ben ik deze dinsdag de klos. (Klos is een ander woord voor joker.) Al vroeg belt Bijsturing Eindhoven mij met het verzoek naar ’s-Hertogenbosch af te reizen. Er is een machinist kwijt en de bijstuurder geeft mij een hele lijst treinnummers op, die ik bij terugkeer in Eindhoven moet gaan rijden. Vlak voordat ik Den Bosch bereik, belt hij echter opnieuw. De verloren gewaande machinist is ondertussen nat maar levend uit het Maaswater gevist en zal zijn dienst zelf rijden. Ik kan gewoon terugkeren naar mijn thuishaven.

 Daar aangekomen kruip ik even in de decompressieruimte om de rit virtueel te rijden en zo ontwenningsverschijnselen te voorkomen. Een uurtje later, terwijl ik de computer nog aan het opstarten ben, belt Bijsturing opnieuw en ditmaal is het menens. Wederom vertrek ik naar Den Bosch. Ik rijd terug naar Eindhoven en op en neer naar Weert. Een aardig ritje want als alles goed gaat ben ik rond twee uur terug op mijn standplaats. Officieel loopt mijn dienst tot vanmiddag drie uur, maar je kunt in één uur geen complete slag meer maken. Een mooie gelegenheid om de extra uren die ik de afgelopen weken heb gedraaid, enigszins te compenseren.

 Helaas. Er wordt niets gecompenseerd. Een bijstuurder belt me, vlak voor vertrek uit Weert, met de vraag of ik de intercity naar Venlo, bij gebrek aan een conducteur, wil sleutelen. Hij weet dat dit voor mij een te korte overstap in Eindhoven –ik moet praktisch vertrekken op het moment dat ik arriveer– betekent en –erger– een te korte overstap in Venlo. Hij vraagt dus eigenlijk of ik in mijn vrije tijd wil doorwerken. En dat voor zes keer fluiten en sluiten, iets dat de rijdende machinist ook zelf mag doen. Maar ik laat me overhalen en geef –met tegenzin- toe. De bijstuurder reageert opgelucht enthousiast: ‘Dank je wel en de volgende keer maak ik het goed, dan regel ik iets voor jou.’

 In Eindhoven haast ik me naar spoor twee. De intercity staat al te wachten, de deuren wagenwijd geopend om mij zo snel mogelijk tot zich te nemen. Gelukkig bevinden zich vanmiddag nauwelijks reizigers op het perron die op het laatste moment nog vragen stellen waarop ik het antwoord niet weet. Ik fluit een keer, sluit de deuren en we vertrekken richting Helmond. De machinist rijdt stevig door. Tot mijn verbazing zijn we op tijd in Blerick, terwijl ik rekening hield met een vertraging van vijf minuten. Ik hoop dat we nergens te vroeg vertrokken zijn. Ik haal nu in ieder geval wel mijn trein terug naar Eindhoven.

 Weer een goede daad verricht, maar ik word er niet echt vrolijk van. Dat word ik wel van de gedachte dat ik nu twee gewone dagen vrij ben. Sinds 21 december, ben ik alleen met oud en nieuw thuis geweest, en dat waren geen dagen om boodschappen te doen of uitgestelde klusjes af te maken. Bedenkend hoe ik die twee dagen ga vullen, hoor ik hoe de machinist, vlak voor aankomst in Deurne, de conducteur over de portofoon vertelt dat de Sprinter uit Helmond een aanrijding heeft gehad met een boom en er voorlopig niets rijdt richting Eindhoven. Dit bericht wordt al snel door de stationsomroep overgenomen. De prognose is half zes, ruim tweeëneenhalf uur later. De intercity waarmee ik gekomen ben, keert terug naar Venlo. Ik loop ik naar de Sprinter op spoor drie. Het is zachtjes gaan regenen. Een paar takken die vanaf stroomafnemers langs de trein hangen, wijzen op de botsing met een boom. Verder ziet de trein er goed uit. De boom heeft ernstiger verwondingen en zal worden afgemaakt. Tot die tijd is er geen treinverkeer mogelijk.

Ondertussen worden ik en de rest van het aanwezige treinpersoneel bestookt met vragen van reizigers. Ik blijf continu de prognose in de railpocket volgen, maar die blijft steken op half zes. Dan herinner ik me wat de enthousiaste bijstuurder heeft gezegd. Nu krijgt hij een kans mij terug te betalen door een taxi voor me te regelen. Hij heeft er immers ook voor gezorgd dat ik in Deurne gestrand ben. Het duurt even voor ik Bijsturing aan de lijn heb. ‘Een taxi?’ De stem aan de andere kant klinkt zowel verbaasd als boos, alsof hij een volslagen idioot aan de lijn heeft. Een taxi, hoe haal ik het in mijn hoofd. Er zijn bussen besteld en daar kan ik, net als de gestrande reizigers, mee naar Eindhoven komen. De euforie van twee uur geleden is snel bekoeld. Ik vertel de bijstuurder dat het de laatste keer is dat ik één van deze haastklusjes, die altijd in eigen tijd eindigen, voor hen gedaan heb. Ik kan door de telefoon zien dat hij zijn schouders ophaalt. Op mijn vraag hoe laat die bussen dan komen, geeft de bijstuurder een half uur als antwoord. Dat zou betekenen dat ze er rond 15:45 uur moeten zijn. Ik ga de reizigers nog maar niet inlichten. De kans dat ik ze blij maak met een dode mus, is me te groot.

 De zachte miezer heeft ondertussen plaats gemaakt voor stevige regen. Omdat de broodjeszaak wegens vakantie gesloten is en er op de perrons nauwelijks gelegenheid is om te schuilen, wachten bijna alle reizigers in de trein. Gelukkig een oude Sprinter mét toilet, waar dankbaar en veelvuldig gebruik van wordt gemaakt. Ik moet er niet aan denken dat ik nu in een wc-loze SLT zou zitten. De hulptroepen, met koffie en plaszak, zijn vast ergens in de bossen rond Helmond verdwaald. Het station in Deurne heeft geen wachtruimte en ook geen enkele sanitaire voorziening. Ik kan toch moeilijk bij de plaatselijke drogisterij een jaarverpakking Pampers gaan halen. Dat zou nog een mooie verkleedpartij worden ook, om over de lucht maar te zwijgen. Om vier uur nog altijd geen teken van een bus. Om half vijf hetzelfde verhaal. De reizigers wachten gelaten in de trein. Af en toe vraagt iemand wanneer de bussen komen, de meeste mensen weten intussen dat ik die informatie ook niet heb. Het enige antwoord dat ik ze kan geven is dat de prognose nog steeds half zes is. Ik zeg er niet bij dat het ook wel eens veel later kan worden. De eerste prognose is zelden goed.

 Wat ik vreemd vind, is dat ook de reizigers in de richting Venlo in de regen en wind moeten blijven staan. Op het baanvak tussen Deurne en Venlo is immers niets aan de hand en er is minstens één intercity, bestaande uit twee gecombineerde Koplopers, beschikbaar. Die heb ik zelf naar Venlo gebracht. Het enige alternatief dat ik reizigers had kunnen bieden, is via Venlo naar Roermond reizen en dan overstappen op de intercity richting Amsterdam. Maar er rijdt niets naar Venlo en hoe kan ik nou een prognose geven voor een versperring die er niet is?

 Dan verschijnt er tegen vijf uur plotseling een bus. Het is een bus naar Venlo, maar de hoop herleeft dat er nu spoedig ook een bus naar Helmond zal verschijnen. Die komt een minuut of tien later inderdaad de hoek om draaien. Helaas weet niemand in de trein daar iets van. Als ik me de trein uit haast en samen met enkele tientallen reizigers op het busstation sta, blijkt hij alweer weg te zijn. Om lastige vragen te ontwijken sluip ik terug naar de Sprinter. De meeste andere passagiers blijven in de regen staan. De hoofdconducteur op de Sprinter verhoogt de luchtvochtigheid nog verder door stoom uit zijn oren te blazen. Als hij vervolgens ook nog te horen krijgt dat de trein leeg naar Eindhoven zal worden afgevoerd, draaien zijn ogen weg en ligt het vuur aan zijn schenen. Wild stampend met zijn hoeven draait des duivels hc eerst drie rondjes op het balkon, waarna hij met trillende handen een nummer op zijn GSM intoetst. ‘Ik pieker er niet over! Ik ga niet met een lege trein naar Eindhoven terwijl de reizigers buiten in de regen staan!!!’ De toon is angstaanjagend. Aan de andere kant van de lijn springt iemand met hartkloppingen van zijn stoel.

 De woede van de hc bekoelt snel, als er twee nieuwe bussen voor de richting Helmond verschijnen. Bovendien is de aangereden boom -die trouwens wel van rechts bleek te komen- omgezaagd en opgeruimd. Het treinverkeer zal langzaam worden hervat. Ook blijkt er een plausibele reden te zijn om de Sprinter leeg naar Eindhoven te laten rijden. Mogelijk heeft de botsing schade veroorzaakt aan de hoogspanningsinstallatie. Dat moet onderzocht worden, voordat de trein weer als reizigerstrein mag worden ingezet. Logisch natuurlijk. Mocht er toch nog kortsluiting ontstaan, dan komt het personeel wel naar buiten, al dan niet geëlektrocuteerd. Maar een volle trein ontruimen terwijl de vonken rond knetteren, is een ander verhaal. En geroosterde reizigers staan zo onsmakelijk op het NS-menu.

 Mijn trein –ik rijd hem naar Eindhoven om de originele machinist terug naar zijn standplaats Venlo te laten gaan– moet nog even in Deurne blijven staan tot iemand van ProRail een eerste inspectie heeft uitgevoerd. Dan mogen we vertrekken. Tegen 18:00 uur loop ik over het perron van spoor 1 in de richting van de parkeerplaats. Precies elf uur nadat ik begonnen ben en bijna acht uur na de laatste – korte – pauze. Balend dat een deel van de twee vrije dagen die ik nu heb, al verloren is. Ik bedenk of ik de volgende keer zo’n onmogelijke haastklus nog wel aan zal nemen. Ondanks alle goede bedoelingen, word je om te beginnen al door de passagiers nagewezen: Kijk, die machinist is te laat, het is zijn schuld dat ik nu ook te laat kom en toch doet hij gewoon rustig aan. En als je dan buiten officiële diensttijd ergens strandt, moet je maar zien hoe je thuis komt. Volgens de systemen van Bijsturing ben je niet meer in dienst, dus zij bekommeren zich niet meer om jou. Alle reden dus om onhaalbare ritten te weigeren. Maar geen enkele fatsoenlijke machinist zal een trein vol mensen laten staan. Dat weten ze bij Bijsturing helaas ook. Daarom zetten ze keer op keer de joker in, en die joker trapt er keer op keer weer in. Want als de trein eenmaal rijdt, verdwijnt alle ellende als sneeuw voor de zon.

 Maar ook zonder die sneeuw weten we er een puinhoop van te maken. Daarin geholpen door onze grote vriend ProRail die, na een dipje en een rotweek, nu stevig de wind van voren krijgt…

Welkom in het dagboek van een spoormachinist

Welkom op het vernieuwde Spoormachinist. Punt com – zonder de drie weeën – vanaf 1 januari 2012, maar met punt nl – met weeën – kom je er ook nog steeds. De archieven voor 2010 en 2011 zijn hier te vinden. De verzamelde verhalen en berichten over 2008 en 2009 zijn binnenkort op deze site te vinden. De reden voor deze verhuizing is dat Machinistlog.nl vol dreigde te raken. Bijkomend voordeel is dat website en weblog nu bij verschillende hosts zijn ondergebracht, zodat de kans dat alles verloren gaat als er één host poroblemen heeft, veel kleiner is geworden. Voor de rest ga ik gewoon op de oude voet verder. Wel wat hinkelend vanwege een gescheurde schoenzool, maar dat wordt verholpen zodra ik nieuwe bestelputen voor mijn bedrijfskleding heb ontvangen. Aarzel niet te reageren als je het ergens niet mee eens bent, bedenk wel dat alles vanuit het standpunt van de machinist – die slechts een beperkt zicht heeft – is geschreven.

Hier landde een UFO

Kokend Utrecht in de horror-winter