muizenval

Magische Muizenval

Ik begin ontwenningsverschijnselen te krijgen. Al vier dagen geen telefoon gehad. Niet één keer ‘Met de Bijsturing’ in mijn oor horen fluisteren. Geen enkel verzoek om de auto te lenen en niemand die een lift nodig had;
‘Ga jij vanavond heel toevallig richting Guttecoven? Kan ik dan meerijden?’
‘Nou, het moet inderdaad wel heel toevallig zijn als ik naar Guttecoven ga, want ik heb geen idee waar het ligt.’

Ik heb zelf ook al vier dagen niet gebeld. Dat kan ook vier weken zijn. Ik ben geen beller. Ik houd niet van bellen. Al helemaal niet met zo’n oortje. Dan denk je dat iemand tegen jou aan het praten is. Hij of zij stelt een vraag. Je geeft keurig antwoord. Met grootse gebaren wijs je hem of haar de weg. De persoon in kwestie kijkt je wat meewarig aan, stelt een vraag die werkelijk helemaal niets met de eerste te maken heeft. Je begint harder te praten, misschien is de ongelukkige een beetje doof. Schreeuwen dan maar. Met je handen rond zijn of haar – hopelijk gewassen – oor. Het slachtoffer vlucht geschrokken onder je handen vandaan, haalt het dopje uit zijn oor , pakt met zijn andere hand de telefoon en zegt:
‘Sorry hoor, maar er staat hier één of andere gek in mijn oor te schreeuwen. Het laatste dat je gezegd hebt, heb ik helemaal niet verstaan.’ Daarbij kijkt de telefoonterrorist je ook nog gemeen beschuldigend aan. Ik beantwoord dus geen vragen meer.

Of in de supermarkt, je kent ze vast wel. Mensen die bij elk product dat ze uit het schap pakken, even moeten bellen. ‘Ja hallo, met mij. Zeg jij hebt product A op je lijstje staan, maar product B is tweede voor de halve prijs. Zal ik er twee van B meenemen? Hoe duur product A is? Wat doet er dat nou toe, dat is geen aanbieding. Nou, twee van fles A is twee euro vijftig, twee van B – even rekenen hoor – dat is twee euro plus de helft van twee euro, samen drie euro. Jawel, dan is twee van A nog steeds goedkoper, maar dat is toch geen aanbieding? Nou, dan heb je toch geen voordeel?’

Nee, ik heb een hekel aan telefoons. Altijd al gehad. Als je mij per se wilt bellen, kun je het beste een uurtje tevoren een e-mail sturen met de mededeling dat je me op dat en dat tijdstip gaat bellen. Dan is de kans vrij groot dat ik opneem. Tenzij ik dat mailtje niet gelezen heb, natuurlijk. Of ik moet een bekend nummer op het scherm van de telefoon zien. Dan bel ik je later wel terug. Als het uitkomt. Vaak maanden later, maar ik vergeet je niet. Dat is dan weer mijn pech.

Van al deze perikelen had ik nu geen last. Ik was lekker thuis aan het werk met wetenschappelijke experimenten aangaande kunstmatige intelligentie in het dierenrijk. Ofwel gerobotiseerde geleedpotigen. Meer kan ik daar nu niet over vertellen. Top Secret!

Ondertussen werd er wel veel gemaild. Normaal vind ik dat niet erg, maar nu zaten er nogal wat verwarrende mails tussen die om een onmiddellijk antwoord schreeuwden. En niet alleen snel, maar ook zorgvuldig. Er zaten diverse mails bij waarvan elke letter gewogen zou worden. Daarbij wreef ik geregeld door mijn ogen of liet ik mijn blik een rondje door de kamer dwalen. Zo viel mijn oog op een stapeltje rekeningen. Die had ik natuurlijk bewust verstopt, zodat ik ze pas na weken weer zou vinden en betalen. Of opnieuw verstoppen, afhankelijk van G.B.J. Hiltermann’s financiële toestand in mijn wereld. Maar deze acceptgiro’s waren al op 12 januari verzonden. Betalen binnen dertig dagen, dat was – één dag smokkelen – 12 februari, twee weken geleden. Ach, ik kon nog gemakkelijk wachten op de eerste aanmaning, maar die kwam dan vast in mijn vakantie en dan belandden de rekeningen waarschijnlijk opnieuw ergens op een vergeetstapel. Of per ongeluk in de kattenbak of hamsterkooi, als alternatieve maar zeer effectieve papierversnipperaar.

Apple's Magic Mouse

Ik besloot ze maar meteen te betalen. Als je al die onbetaalde rekeningen pas terugvindt op het moment dat je vakantiegeld wordt uitbetaald, zak je ook zo in een depressie. Met één beweging veegde ik alle nog te beantwoorden e-mails aan de kant – dat kan met een Apple – en opende de website voor elektronisch bankieren. Hé, er was geen storing bij ING, een tegenvaller. Nadat ik alles had ingevoerd en gecontroleerd, drukte ik op betalen. Nu werd er een zescijferige code, vermomd als SMS, naar mij toegestuurd. Even invullen om de betaling te bevestigen, en ik was weer een stuk minder rijk. Eigenlijk zakte ik dieper in het rood, maar dat klinkt zo negatief.

Ik wachtte een paar minuten op het kling-geluidje van mijn telefoon. Geen kling te horen. Toch een storing bij ING? Mijn oren probeerden mij te bedriegen door een soort pling door de gang te laten echoën. Maar een pling is geen kling en bovendien hing mijn telefoon in een tasje aan mijn riem. Wat hoorde ik dan op de gang?

Ik liep mijn kamer uit, naar de kapstok. Ik tastte wat rond in mijn jaszak omdat die van binnenuit zwak verlicht werd. Hé, hoe kon dat nu: mijn telefoon. Vier voicemailberichten, twaalf gemiste oproepen, achttien nieuwe berichten. Wat had ik dan al die dagen aan mijn riem hangen. Heel voorzichtig maakte ik het tasje los. Voor je het weet maak je een slapende ratelslang wakker. Heel onverstandig, heb ik op National Geographic gezien. Ik pakte het nog ongebruikte koksmes uit zijn houten blok en hief het in de lucht, klaar om vooral mezelf te verwonden. Zo voorzichtig mogelijk trok ik aan het strookje klittenband van de sluiting. Van de herrie sprong de kat in de gordijnen, maar de ratelslang verroerde geen vin. Ik hield het zakje schuin om de inhoud op de tafel te laten glijden. Wat bleek het tot mijn verbazing te bevatten? Een muis!

Een geavanceerde muis, dat wel. Apple noemt het een draadloze Magic Mouse. Een superieur apparaat door alle vingerbewegingen waar hij op reageert. Als je ze ten minste goed reproduceert. Vingerbewegingen die ik niet kan onthouden, waardoor er weinig magie aan de muis kleeft. Ik had dus vier dagen met een computermuis als telefoon rondgelopen. Gelukkig is hij geen enkele keer overgegaan, want dan sta je toch mooi voor gek. Maar zeg nou zelf, van een magische muis – zeker die van Apple – mag je toch op z’n minst verwachten dat je ermee kunt bellen?

Bijlmer

Toch nog dat carnavalsgevoel…

Naderen Amsterdam Amstel

Vrijdag 18 februari, de avond voor carnaval. Ik heb een late dienst, die ook nog eens begint met passagieren van Eindhoven naar Utrecht. Midden in de avondspits. Ik kijk even of het druk is in de trein. Als dat niet het geval blijkt, schiet ik, tussen de bananen, wildersen – de meeste meer lijkend op Dion G. – en verwarde zwarte pieten door, de eerste klas in. Ik heb er een hekel aan een plaats bestemd voor een betalende reiziger in te nemen, maar nu komt deze extra pauze wel van pas. Vandaag is de deadline voor het allereerste nummer van het NS-personeelsblad in de nieuwe vorm: geheel gemaakt door een vijfkoppige redactie van de werkvloer. Helaas heeft iemand, die niet in de colofon vermeld staat, direct al een veto uitgevaardigd en publicatie van enkele artikelen verboden. Om de hoofdredactrice – de hoogste functie binnen de redactie, volgens de colofon -  te helpen, heb ik de hele dag gezocht naar welgevallige artikelen met gepaste lengte uit de oude doos, maar je kunt niet steeds teruggrijpen naar het verleden.

Voor je het weet sta je de stoomtrein te introduceren als nieuwste materieelsoort.

Van Amsterdam naar Utrecht.

Anders dan in de rest van de trein, overheerst in de eerste klas nog geen carnavalsstemming. Gelukkig. Ik nestel me in een ruime stoel, open een flesje jus van aangelengd sap, bietenpulp en met zonder bubbels en haal een broodje uit de verpakking. Om duidelijk te maken dat ik bij het interieur hoor, een broodje kaas. Die dunne streep kaas tussen de broodhelften gaat verder waar de gele lijn over mijn jas ophoudt. (Wat poëtisch, die moet ik onthouden voor het volgende nummer.) Ik start mijn iPad en zoek naar de documenten die ik thuis aan de iCloud heb toevertrouwd. Steve Jobs moet één van mijn grootste fans zijn, want ik zie minder dan de helft van wat ik de hemel in zend ooit nog terug. Maar vandaag kan ik ermee vooruit. Net als ik de eerste hap van mijn broodje weg kauw, hoor ik de stem van de conducteur over de boordomroep:
‘Dames en heren, wij kunnen nog niet vertrekken omdat er nog geen machinist aanwezig is. Wij zijn aan het bellen, een ogenblikje geduld nog alstublieft.’
Terwijl er een zucht van onbegrip door de trein gaat, trek ik langzaam en zo geruisloos mogelijk mijn nek in. Zo komt mijn hoofd niet boven het maaiveld. Ik weet wat er komen gaat en stop mijn hele uitstalling alvast terug in mijn tas. Bijsturing belt en zo zachtjes mogelijk noem ik mijn naam. Het goedemiddag moet vrijwel niet te horen zijn geweest.

Voor de meeste personen is het horen van zacht gefluister aanleiding om zelf óók te gaan fluisteren. Er kan immers iets aan de hand zijn dat stilte vereist.

‘Dag Geert,’ buldert een stem aan de andere kant van de lijn. ‘De 3500 heeft geen machinist. Zou jij hem mee willen nemen naar Utrecht?’ Vanaf het balkon richten mensen hun blik nieuwsgierig naar beneden, regelrecht de eerste klas in.
‘Precies wat je zegt, ja. Inderdaad, het begint hier ook net. Komt voor de bakker.’ Ik kies bewust een ander beroep om te voorkomen dat ik direct aan mijn stem als machinist herkend word, maar ik ben bang dat mijn blauwe uniform mij verraadt. Op mijn knieën tussen twee banken, vis ik een krant van de vochtige – bier of nu al urine, ik wil het niet weten – vloer en scheur een halfrond gat in het midden. Ik vouw hem uit, trek het vod over mijn hoofd en doe alsof ik in lezenswaardige boerenkiel de trein verlaat. Het werkt niet echt. Ik voel ontelbare beschuldigende ogen in mijn rug branden. De reflectie die ik van mezelf zie in een ruit, maakt het nog erger. De krant lijkt in de verste verte niet op het traditionele carnavalsgewaad. Eerder op een slecht geknoopt slabbetje dat ik ook nog eens achterstevoren om mijn nek draag. Dat rottige tabloid-formaat van tegenwoordig. Met gebogen hoofd loop ik verder naar de cabine.

Hier valt geen eer meer aan te behalen.

Oeteldonk

Mijn sombere bui trekt echter sneller over dan ik had verwacht. De carnavalsvierders zijn allemaal in Oeteldonk uitgestapt en in Utrecht is niets meer van een uit de hand gelopen verkleedpartij te zien. Ik word door de reizigers weer gewoon genegeerd, zoals het hoort. Op die manier heeft niemand in de gaten dat ik aan de verkeerde zijde loop van de houten wand die tijdelijk het dak moet gaan dragen als de zijmuren vanwege de verbouwing onderuitgehaald worden. Zo raak ik steeds verder verwijderd van mijn volgende trein, maar ik vertik het opnieuw gezichtsverlies te lijden en loop stug door. Ik neem een willekeurige trap naar beneden, draai een halve cirkel om een bouwhekwerk, neem de roltrap omhoog om recht ertegenover de trap weer af te dalen en eindig vrijwel precies op de plek waar de voorkant van de intercity naar Amsterdam stopt.

Vakmanschap is meesterschap. Inderdaad, een oude spooruitdrukking en vandaar de aanspreektitel meester voor de machinist.

Rood sein voor Muiderpoort.

Tot en met Amsterdam Amstel verloopt de rit voorspoedig. Maar vlak na het station dat volgens mijn officiële dienstkaartje de eerste halte was waar ik moest stoppen, gaat het mis. Het automatische sein dat ik nader vertikt het van geel naar groen te verspringen, het volgende toont een onverbiddelijk rood. In afwachting van een toegeeflijker kleur, verminder ik vaart. Het helpt niet, ik zal moeten stoppen. Nog voordat de trein helemaal stil staat, belt de treindienstleider mij.
‘Goedenavond meester. U staat nu waarschijnlijk stil bij Muiderpoort. Dat komt omdat er een defecte goederentrein in de wissels staat, een klein stukje verderop. De machinist is op onderzoek uit en loopt nu langs zijn trein. Dat zal nog zeker tien minuten duren maar het kan ook een uur worden.’
‘Goed, ik ga het aan de reizigers doorgeven. Minimaal tien minuten, mogelijk veel langer. Ik hoor het wel wanneer er nieuwe informatie is.’

‘Hartstikke mooi, ik laat zo snel mogelijk iets weten.’

Ik pak de hoorn van de omroep en vertel wat er aan de hand is. Diverse treinen uit de richting Amsterdam Centraal passeren ons. Ook verderop, bij het andere perron, zie ik beweging maar ik besef dat ik opgesloten zit. Ik kan met geen mogelijkheid om Muiderpoort heen. Het enige dat ik kan bedenken is terugkeren naar Amsterdam Bijlmer Arena. Dat kan echter alleen als er geen enkele trein meer achter mij rijdt – of stilstaat – en die kans lijkt me vrij klein. Terwijl ik de mogelijkheden overdenk, wordt er op de cabinedeur geklopt. Een jongedame vraagt wat er aan de hand is en of het nog lang gaat duren.
‘Heb je de omroep dan niet gehoord?’ vraag ik haar verbaasd.
‘Nee, hier was niets te horen.’
Balend dat ik al die moeite voor niets heb gedaan, roep ik via de portofoon de conducteur op. Ik vraag hem het omroepen over te nemen omdat de installatie in mijn cabine niet werkt. Hij neemt die taak op zich, maar nu wordt het wel een kwestie van boodschappen aannemen en doorgeven. Een leuk spelletje op kinderfeestjes, dat tot hilarische uitspraken kan leiden.

Ik weet alleen niet zeker of we straks nog stilstaan achter een defecte goederentrein of dat we stilaan een goed effect achter de trein zijn.

Passeren SLT

Het is de treindienstleider zelf die een klein beetje verlichting in de zaak brengt. Hij weet niet precies hoever de goederentrein voor mij staat, maar als het lukt mag ik van hem het rode P-sein voor Muiderpoort passeren, zodat degene die dat wil daar over kan stappen op de tram, metro of een stoptrein richting Amsterdam Centraal. Het geeft mijn dienst weer een kick. Het legaal passeren van een rood sein heeft voor de machinist iets kwajongensachtig. Een soort belletje trekken voor volwassenen. Ja, ik weet dat het me mijn baan kan kosten, maar zie mij eens lef hebben. Het is als het schrijven van de perfecte column. Ik rijd extra langzaam om het moment nog even te rekken. Hoewel ik de conducteur duidelijk geïnstrueerd heb dat hij moet zeggen dat we, met alle mogelijke risico’s voor de machinist, dwars door een rood sein zijn gereden en enkel in het belang van de reizigers nu op Muiderpoort staan, roept hij slechts om dat de mogelijkheid tot overstappen bestaat en dat het onduidelijk is hoe lang we hier nog moeten wachten.

Dat blijkt minder lang te zijn dan verwacht.

Net als overstappende reizigers aan de andere kant van Muiderpoort met hun hoofd bovenaan de trap verschijnen, mag ik verder rijden.  Met een totale vertraging van iets minder dan een half uur, rijd ik Amsterdam Centraal binnen. Precies het tijdstip waarop ik met mijn volgende trein naar Amersfoort dien te vertrekken. Normaal activeert Bijsturing in voorkomend geval reservepersoneel om de trein op tijd te laten vertrekken. Maar omdat er meer personeel met vertraging binnenkomt, besluit Bijsturing tot een onorthodoxe, maar werkelijk geniale stap: Iedereen vervolgt zijn eigen dienst! Hoe briljant deze stap is, blijkt later. Aanvankelijk vertrekken er meer treinen te laat dan strikt noodzakelijk. Maar omdat er niets aan de samenstelling van het treinpersoneel veranderd hoeft te worden, blijven er geen treinen achter zonder conducteur of machinist. Met elke vertrekkende trein neemt de vertraging een paar minuten af, tot deze geheel uitgedoofd is. Mijn trein staat heel toevallig aan de overzijde van het perron, dus ik ben er snel bij. Ik moet echter nog een paar minuten wachten op de conducteur, die op een ander spoor arriveert. Als ik hem in het vizier krijg, pak ik snel de omroep:
‘Dames en heren, goedenavond. Wij moeten helaas nog even hier blijven staan, omdat de conducteur nog niet aanwezig is.’

WRAAK! Mijn dag is weer goed.

Het slagje Amersfoort loopt probleemloos, ondanks enkele zeer drukke overwegen. Ik raak allang niet meer onder de indruk van jongens die heel hard aan komen fietsen en dan op het allerlaatste moment pas remmen, zodat ze bijna onder de slagbomen verdwijnen. Iets dat tegenwoordig trouwens voor veel automobilisten een doodnormale rijstijl is. Ik probeer te genieten van de natuur tussen Weesp en Naarden-Bussum. Het water, de maan, vleermuizen en andere nachtdieren. Maar het is mistig, donker, de vleermuizen zijn in winterslaap en de andere nachtdieren hangen verveeld wat rond bij de wisselverwarming.

Voor ik het weet ben ik terug op Amsterdam Centraal.

Nu alleen nog terug naar Eindhoven. Jammer genoeg in drie etappes, waarvan de eerste, de intercity van Amsterdam Centraal naar Utrecht Centraal, pas over ruim twee uur vertrekt. Dus dan zit je daar, als jongetje uit de provincie, helemaal alleen in het personeelsverblijf van dat grote station. Nou ja, station? Dat moet het ooit nog worden. Het is dat er treinen door rijden, anders …

Twee keer schuift er een collega uit Eindhoven aan mijn tafel. Beide mogen met de eerstvolgende trein naar huis. Als middernacht nadert, verlaten ook de machinisten en conducteurs die de laatste stoptreinen rond de hoofdstad moeten rijden het pand. Tijd voor variété. De personeelskantine in Amsterdam is gelukkig vergeven van de muizen. Vanavond spelen zij de musical Als de kat van huis is. Die heb ik al drie keer gezien, maar hij blijft leuk. Een jonge goochelaar improviseert er wat nieuws bij. Een grappig gezicht, hoe hij die minireep Bros over de vloer sleept. Minder grappig dat hij daarvoor de onderkant van mijn rugzak heeft open geknaagd. Hij had de reep ook zo kunnen krijgen. Als dank voor het vermaak, laat ik een broodje kaas voor het gezelschap achter, dat in dank wordt aanvaard. Dan pak ik mijn spullen en ga ik in de richting van mijn volgende trein.
Muizen in de kantine? Ik hoor het sommige lezers denken. Wat onsmakelijk! Welnee, ze eten hetzelfde als het personeel. Volgens de NS zeer gezond dus. Je kunt in een kantine niet met gif gaan strooien en vallen zetten is ondenkbaar vanwege de tere zieltjes van de conductrices. Zit je net een kom tomatensoep te eten, slaat er zo’n val voor je neus dicht en zie je een muis met een verbrijzeld kopje doodbloeden. Met één stervend oog kijkt het diertje je vragend aan: ‘Waarom?’

Er is wel aan een kat gedacht. Ook leuk voor de nachtploeg. Maar een kat in de kantine, dat mag niet van de Voedsel en Warenautoriteit.

Naderen Utrecht Centraal station.

In Utrecht moet ik opnieuw even wachten. Niet lang, want de stoptrein naar Den Bosch staat helemaal aan het laatste perron, buiten de overkapping. In de spits is dat een klein half uurtje lopen vanaf Hoog Catharijne, na middernacht tien tot vijftien minuten. In nuchtere staat, maar dat is voor een machinist vanzelfsprekend. Stel dat er ergens een auto tussen de gesloten spoorbomen door slingert, dan moet ik blazen.

Naderen Utrecht Centraal station.

‘En daar hebben we geen zin in, wat jij?’ Ik probeer alvast vriendschap te sluiten met de zojuist binnengelopen SLT. Misschien is het dezelfde die ik vorig jaar in tegengestelde richting reed. Toen werd hij vrijwel volledig gesloopt. Maar de reizigers die van Utrecht naar Den Bosch willen, zien er allesbehalve carnavalesk uit. De meesten blijken zelfs helemaal niet naar Oeteldonk te willen.

In Houten ben ik al de helft kwijt, na Culemborg is het eigenlijk zelfs zinloos om verder te rijden. Het is dat ik naar huis wil.

Geldermalsen

Het laatste stukje naar Eindhoven mag ik opnieuw passagieren. Hier is wel iedereen verkleed. Ik zou dus niet op moeten vallen in mijn machinistenpakje, maar op de één of andere manier heeft iedereen door dat ik niet bij de feestvierders hoor. Gelukkig is het rustig in de trein en hoef ik me niet in de onbediende cabine op te sluiten. Niet dat ik dat zo erg had gevonden. Voor een machinist is het juist de ideale dagsluiting. Een moment van bezinning. Het is donker, stil en de reis is – althans voor vandaag – ten einde. Bestemming bereikt. Nee, nee, nu niets over de chipkaart. Gebruik vooral dat vreselijke woord uitchecken niet. Laat ons nog even genieten van het vrije station, een startplaats zonder grenzen. Een tussenhaven met oneindige mogelijkheden. Die poortjes zullen er snel genoeg een gevangenis van maken.

Maar ik zit vandaag dus niet in het donker en ik verlaat als een gewone reiziger de trein. Een jongeman die bij de deur naast me uitstapt, wankelt een paar stappen naar voren, leunt over de reling en braakt een paar liter bier, vermengd met een shoarmaschotel – extra knoflook, dubbele portie frites – over de roltrap. Mijn maag maakt zich onmiddellijk op om zich in de feestvreugde te mengen.

Eindig ik de dag toch nog met een carnavalsgevoel.

Amsterdam Amstel

abcoude

Glazen Sneeuw

***

Noot van de schrijver vooraf: Dit verhaal is volledig verzonnen, elke gelijkenis met de werkelijheid berust op puur toeval. Verder is het geenszins de bedoeling van de auteur de in het verhaal genoemde – fictieve – personen te beledigen, kwetsen of belachelijk te maken. Deze personen zijn overigens samengesteld uit namen die willekeurig uit het telefoonboek geplukt zijn. Elke overeenkomst met bijvoorbeeld de President-directeur van de Nederlandse Spoorwegen of de directievoorzitter van NS Reizigers, berust dan ook op louter toeval. De Mol, die zich hier wil verrijken met sms-diensten, is geen ‘familie van…’
Alleen de koffiejuffrouw bestaat echt, maar zij vond het wel een eer om in dit verhaal te figureren, mits ze onherkenbaar in beeld zou komen. Om die reden heb ik haar zwaar Rotterdamse accent onvermeld gelaten. De schoonmaker is – zoals gebruikelijk – niets gevraagd.

***

Donderdagavond, begin februari. De laatste uren van de dag tikken rustig weg. Ik heb een rangeerdienst en loop over het perron van spoor vijf en zes in Eindhoven. Als ik in noordoostelijke richting de hemel in kijk, zie ik een vallende ster. Ik wil altijd van alles en voor iedereen tegelijk, maar nu het erop aankomt kan ik geen enkele wens bedenken. Ik hef mijn schouders een keer op als verontschuldiging voor het de gebrekkige communicatie, als de meteoor plots van richting verandert. Het zal toch geen UFO zijn? Draai dan maar weer om. Vroeger was ik een echte sciencefiction-fanaat, maar als je tien jaar over het Nederlandse spoor boemelt heb je alle science wel als fiction voorbij zien komen. Ik kijk nog eens goed naar het onbekende vliegende object dat steeds dichterbij komt. Het heeft akelige tentakels die naar alle kanten uitsteken en waarmee het alles verslindt wat te dicht in de buurt komt. Nee, dit kan toch niet? Droom ik soms? Ik kijk nog eens goed, ik volg het terwijl het de laatste meters daalt. Geen vergissing mogelijk, dit is een SNEEUWVLOK!

Geschrokken doe ik een stap van voor naar achter, van links naar rechts – het lijflied van het CDA – en bedenk wat ik het beste kan doen. Kalm blijven, het radicale midden houden, dat lijkt me nu het belangrijkste. Op het hoofdkantoor zal eerst een vlokkentest moeten uitwijzen of het werkelijk om in kristalvorm bevroren water draait, zo ja, waar dat water dan van afkomstig is en wie er voor de schade gaat opdraaien. Het kan nog dagen duren voordat de uitslag de werkvloer bereikt.

Niet de sneeuw vertraagt, maar snelheidsbeperkingen vanwege slecht onderhouden infra.

Die avond is het stil in het personeelsverblijf. Iedereen kijkt naar de finale van ‘De Stem van Nederland’. De gedoodverfde winnares laadt zich op voor de slotnoot. Haar houding is nu extra belangrijk. Deze ene uithaal zal haar wereldfaam en een extravagant leven gaan bezorgen. Ze opent, sensueel knipogend in de camera, haar mond. Dan klinkt er een ijzingwekkende schreeuw.

‘Code Róód! Code Róóhóód!’ Met wild ontregeld haar stormt Ingrid Thijssen van achter de coulissen het podium op. Ze ziet er een tikje ontredderd uit, maar er brandt een vuur in haar ogen dat boekdelen spreekt: ‘Code Rood, en daar gaan jullie helemaal niets van merken.’
Angela Groothuizen stort zich huilend in haar armen. ‘Meid, wat een emotie in die stem, wat een emotie, ik krijg er kippenvel van.’
Ook De Mol pinkt een traantje weg. Het sms’ en had nog moeten beginnen.

Op een geheime locatie komen ondertussen de rayonhoofden bijeen. Zij kennen de werkvloer. Zij hebben oplossingen. Weg met al die spooktreinen, treinen die wel rijden maar waarvan niemand de bestemming kent of juist opgeheven treinen die naar een zijspoor zijn afgerangeerd terwijl ze volgens de computerschermen vrolijk hun rondje draaien. Het belangrijkste is nu de juiste informatie in de aanwijzers boven het perron te krijgen. Dat moet allemaal met de hand ingetypt worden via een gehackt programma, vandaar deze geheimzinnigheid. Monnikenwerk, maar In tijd van nood, verdient de plp zijn brood, een tegeltjeswijsheid die al bij oma boven het aanrecht hing. Slechts één van de procesleiders perron bezwijkt onder de spanning. Hij loopt rondjes rond de tafel en schreeuwt voortdurend tegen zichzelf: ‘This is not a drill, this is not a drill.’
Zijn traumatische oorlogsverleden is echter bij alle andere plp’s bekend. In militaire dienst was hij het hulpje van een geestelijk verzorger die hem overal als Miss. Dienaar introduceerde.

Rond de stations loopt alles op rolletjes. Het treinpersoneel staat op scherp. Code Rood, daar maak je geen grappen over. Een erg punctuele machinist, die, weer of geen weer, zo energiezuinig mogelijk wil rijden, dreigt zonder conducteur te vertrekken als deze niet heel snel de aftocht blaast. Een strenge conductrice toont geen genade: ‘Meneer, zonder stempel is dit kaartje niet geldig. Dat is al jaren zo en vandaag is geen uitzondering. Wat zegt u? Waar u een stempeltje moet halen? Wat dacht u van Bartlehiem?’

De Groepsraad volgt alles vanuit de hoogte. Ook zij hebben zicht op een UFO en ook zij weten niet zo goed wat ze ermee aanmoeten. De koffiejuffrouw fluistert tegen zichzelf, zodat iedereen rond de tafel het hoort, dat zij het ongezond vindt dat Ingrid Thijssen al een uur buiten staat af te koelen. ‘Maar ja, wie luistert er naar de vrouw die enkel de koffie rondbrengt?’
‘Buiten staat af te koelen?’ Bert Meerstadt veert op. ‘Staat ze na al dat bloed, zweet en tranen buiten af te koelen? Bij een gevoelstemperatuur van bijna dertig graden onder nul?’ Hij sprint naar de lift. Daar houdt een schoonmaker hem tegen.
‘Nee, meneer Meerstadt. Code Rood weet u wel? Geen liftgebruik voor u bij Code Rood! Alleen wij en catering.’

Met flinke vertraging vindt hij Ingrid Thijssen uiteindelijk bij het monument in de speeltuin. De fiere houding waarin ze is bevroren, laat een daadkrachtige leider zien. ‘Blijf hier nog maar even staan. Als in de ochtend de zon door je glazen huid breekt, zal je oogverblindend stralen,’ fluistert Bert tegen de ijssculptuur. ‘Teken van een mooie overwinning op de winter, gefeliciteerd. Dat je geheel op eigen houtje, zonder een gedegen vergadering te beleggen, de eerste twaalf stappen van Code Rood hebt overgeslagen, zullen ze je misschien nog wel vergeven. Maar de jaloezie omdat je je ook nog ‘Stem van Nederland’ mag noemen..?!

Vluchten kan weer, maar waarom zou je?

Gekleurde blik

Terreurdreiging?

Dinsdag 7 februari 2012, een heldere, zonnige dag. Ik kom net van een vergadering van de redactieraad van het NS-personeelsblad Oost-Brabant/Noord-Limburg – geen idee hoe ik daarin gekomen ben, maar ik mag nu wel met grote mensen praten – en loop door de stationshal van Eindhoven om als reserve-machinist de dag vol te maken. Via de luidsprekers hoor ik dat de dienstregeling ernstig verstoord is en dat reizigers naar de omroep moeten blijven luisteren voor meer informatie. Ik vlieg de eerste de beste trap op die ik tegenkom, weg van de mensen in de hal. Ik wil eerst op mijn gemak uitzoeken wat er precies aan de hand is, voordat ik vragen van reizigers probeer te beantwoorden.

 De zon schijnt recht in mijn gezicht, zodat ik niet direct zie waar dat brommende geluid vandaan komt. Het lijkt wel een stilhangende helikopter. In gedachte zie ik de rotorbladen in slow-motion afsteken tegen de felle zon. Een beeld dat je vaak in oorlogsfilms en andere Amerika-promotie-producten ziet. Als mijn ogen enigszins aan het licht gewend zijn, zie ik de helikopter recht boven mij in de lucht hangen. Ik zet er stevig de pas in en loop in de richting van de computerruimte onder de oude treindienstleiderspost. Ik moet het me verbeelden, maar het vliegende vehikel lijkt me te volgen. Als ik me niet vergis, hangt er zelfs iemand met een flinke telelens uit de laadruimte. Waarom zou de politie of een andere opsporingsdienst achter mij aanzitten? Ik heb geen terroristische plannen en ik heb ook geen geheime informatie in mijn bezit. Dan herinner ik mij een onbetekenend voorval van een dag geleden.

 Ik had een rangeerdienst en net de intercity naar Schiphol op spoor 5 geparkeerd. Omdat ik de volgende twintig minuten niets te doen had, liep ik terug naar het personeelsverblijf. In het voorbijgaan zag ik een man van rond de zestig, op een balkon aan het einde van de trein, bidden. Keurig op een naar het oosten gericht bidkleedje. Helemaal volgens de gespreksdiscipline, precies zoals NS het graag ziet.
Een stukje verderop liep ik de conducteur van de trein tegen het lijf.
‘Alk Aïda zit in je trein,’ fluisterde ik tegen hem. ‘Hij zit te bidden op het balkon met naast zich een grote koffer, waarschijnlijk een bom.’
De conducteur trok zo bleek weg, dat ik hem meteen vertelde dat het maar een grapje was en dat het een volstrekt normale persoon betrof die in de trein zat te bidden. Dat hij een grote koffer bij zich had, was niet zo bijzonder. Veel mensen nemen een koffer mee naar Schiphol. Geen paniek dus.
Maar de conducteur zag er geen humor in en liep haastig naar het verblijf om enkele minuten later weer tevoorschijn te komen. Ik weet niet wat hij daar gedaan heeft.

 En nu, nog geen dag later, word ik gevolgd door een helikopter. Gehaast open ik de deur van het gebouwtje aan het eind van het spoor. Ik loop door de stoffig grijze gang naar de computerruimte. Ik haal mijn camera uit mijn tas en probeer het toestel vanuit een raam te fotograferen. Vergeefse moeite, de helikopter hangt recht boven het gebouw. Buiten mijn zicht maar binnen gehoorsafstand.

 Dat duurt slechts enkele minuten, dan begint de herrie af te nemen. Zo snel dat het lijkt alsof de vliegmachine in de lucht is opgelost. Ik blijf nog een tijdje naar de computerschermen turen zonder echt iets te lezen. Ik voel me opgejaagd, rusteloos. Ik moet hier weg. Voorzichtig sluip ik naar de deur. Voetje voor voetje. Ik grijp naar de klink, half in de verwachting dat ik zo dadelijk iets anders dan een leeg perron voor me zal zien. Mijn hart klopt in mijn keel. Kom op, verman je. Je denkt toch niet dat de hele terreurbrigade uitrukt voor één grapje over een biddende gelovige?

Nee, dat denk ik niet. En het is trouwens een anti-terreurbrigade. Overmoedig gooi ik de buitendeur open en krijg direct een zwarte loop onder mijn neus geduwd. Een wapen van een kaliber dat geen gaatje in mijn hoofd schiet, maar in staat is mijn hoofd tot op navelhoogte van mijn romp te scheiden. Ik wil iets te zeggen, maar passende woorden schieten me zo niet te binnen.

Dan grijpt de commandant in. ‘Wacht mannen, dit is hem niet. De verdachte draagt een donkere bril, deze is van gewoon glas.’
Van gewoon glas? Weet jij wel wat deze bril gekost heeft? Een montuurloze bril met gratis enkelvoudige glazen. Tweehonderdnegenentwintig euro volgens het kaartje. Ik moest vijfhonderdnegen afrekenen. Die gratis glazen kosten dus bijna driehonderd euro, en dat noem jij gewoon? Daar heeft de commandant niet van terug. Ik heb het natuurlijk ook niet hardop gezegd. Hij negeert mij en leidt zijn mannen het oude en, op de computerruimte na, lege gebouw binnen op zoek naar een vermeende terrorist met een donkere bril.

 Ik houd mijn bril onder mijn jas en haast me naar de kantine. Pas binnen zet ik mijn extra kijkers weer op. Voor het eten, doe ik een klein schietgebedje. Heer, dank u voor de uitvinding van de meekleurende brillenglazen, Amen.

Kwestie van een lange adem

 Een nachtdienst, ergens aan het einde van januari. Na lange tijd, mag ik eindelijk weer eens een compleet rondje Nachtnet rijden. Sterker nog, er komt zelfs een stukje bij! Wegens geplande werkzaamheden in de Schiphol-tunnel, zal ik vannacht via Haarlem naar Leiden gaan. Een mooie rit door de bloembollenvelden, al is daar ’s nachts natuurlijk niet veel van te zien. En in januari nog minder.

 Helaas gooien herstelwerkzaamheden bij Hillegom roet in het eten. Mijn trein wordt opgeheven en ik mag van Bijsturing een uurtje het personeelsverblijf in Utrecht opzoeken. Bij de ingang loop ik een Eindhovense collega machinist tegen het lijf. Hij staat te kijken naar het plasmascherm dat de vertrekkende treinen en bijbehorende spoornummers hoort te tonen. De trein die hij moet rijden, staat er niet tussen. Hij moet de trein van Utrecht via Woerden en Alphen aan den Rijn naar Leiden rijden, in vaktermen ook wel Leiden Binnendoor genoemd. Ik zoek het voor hem op in mijn Railpocket, het elektronische brein van de machinist, maar ook dat apparaat heeft nooit van de bewuste trein in het Nachtnet gehoord. Evenmin verschijnt hij op de schermen van de halaanwijzer of wordt er iets omgeroepen. Uiteindelijk vertrekt hij wel. Stipt op fictieve tijd. Een onbekende trein met onbekende bestemming, vertrokken op een onbekend tijdstip vanaf een onbekend perron. Ja, reizen in het Nachtnet blijft spannend.

Duivendrecht

 Even later word ik zelf door Bijsturing gebeld. Van dat mooie rondje Nachtnet, waar ik me zo op verheugd heb, blijft alleen een ritje naar Amsterdam – en terug – over. Ik loop naar mijn trein, die wel in de Railpocket staat maar op een heel andere tijd vertrekt, en probeer de reizigers een zo goed mogelijk reisadvies te geven. Ondanks het feit dat de werkzaamheden bij Hillegom afgerond zijn, zullen er geen Nachtnet-treinen meer via die route rijden. Ik adviseer reizigers met bestemmingen als Rotterdam, Den Haag en Delft, met mij mee te reizen naar Amsterdam Centraal en met NS-bussen naar Schiphol te gaan. Van daaruit vertrekken er opnieuw bussen naar Leiden. Ik vertel er nog bij dat ze kunnen instappen bij het Barbizon Hotel, hoewel ik niet weet waar dat ligt. Ik ga er maar vanuit dat het dicht bij het station zal zijn. Zo komt ons treintje nog aardig vol. Vol goede moed rijd ik naar Amsterdam.

 Onderweg vraagt de conductrice of ik nog andere informatie heb ontvangen. Wat er met onze trein zal gebeuren als we Amsterdam bereikt hebben bijvoorbeeld. Ik kan haar geen antwoord geven. Hoewel we onder hetzelfde schuitje zitten, hebben we van Bijsturing verschillende treinnummers doorgekregen. Dat we in Amsterdam op een ander spoor binnenkomen dan vanwaar we later vertrekken, wekt de suggestie dat we van trein wisselen, maar zeker is dat beslist niet. Uiteindelijk zal blijken dat mijn trein na het keren in Amsterdam, terug zal rijden naar Utrecht om vervolgens door te gaan via Leiden en Den Haag naar Rotterdam. Al die reizigers voor Delft en Rotterdam, die ik in Utrecht mijn trein heb binnengelokt,  zitten dus min of meer al in de goede trein. De reis duurt alleen twee uur langer dan wanneer ze direct in de rechtstreekse intercity waren gestapt. Als ze tenminste die onbekende trein op dat onbekende tijdstip op een onbekend spoor in Utrecht hadden kunnen vinden. Nu hoeven ze niet meer te zoeken, ze zitten al in de juiste trein. Positief nieuws toch?

 Dit weten we echter nog niet als we Amsterdam naderen. De conductrice heeft zich dus nog voorbereid op busvervoer tussen Amsterdam en Schiphol en Schiphol en Leiden. In helder Nederlands vertelt ze waarom onze trein na Amsterdam niet verder rijdt en hoe Schiphol en Leiden met de bus te bereiken zijn. Ze spreekt zonder ook maar één onderbreking of pauze, maar in een rustig tempo, zodat ook de wat aangeschoten reiziger het kan volgen. Een enkeling dus, want het merendeel is gewoon bezopen. Er liggen meer plakkaten braaksel in de trein dan ik ooit gezien heb, al kunnen die, in verband met de staking van het schoonmaakpersoneel, ook enkele dagen oud zijn. Terwijl ik in gedachten, ongewild, voor me zie wat er gebeurt met gistend oud braaksel, blijft de conductrice aan één stuk door praten in de microfoon van de omroep. Na het lange verhaal in het Nederlands, schakelt ze probleemloos over naar het Engels. Vervolgens herhaalt ze het hele bericht nog een keer in beide talen. Geen enkele keer struikel ze over haar tong.

 Als ze eindelijk de hoorn van de omroep neerlegt, kijk ik haar bewonderend aan. Ze snapt direct waar ik het over heb. Ze haalt haar schouders op en reageert verdedigend: ‘O, maar tijdens het omroepen adem ik gewoon door hoor!’

Naderen Eindhoven Beukenlaan

Nachtvlo

Gevoelstemperatuur

 

Afvalgraaiende koele kraaien

Het noordelijkste deel van Friesland en Groningen krijgt dinsdagochtend te maken met een gevoelstemperatuur van -27 graden. In dat deel van het land wordt het circa -9 graden, maar de windkracht 5 die er dan staat, zorgt voor de erg lage gevoelstemperatuur, meldt weeronline.nl.

 Deze tekst was maandag 30 januari te lezen in dagblad De Pers. Ik moet bekennen dat ik er toch wel van schrok. Een gevoelstemperatuur van -27 graden? In Friesland? Gelukkig bracht Pauw & Witteman al snel duidelijkheid. De auteur had dit bericht compleet uit zijn duim gezogen. In Friesland is het al sinds mensenheugenis zo dat bij elke graad vorst méér, de Koorts twee of drie graden stijgt. Ze naderen in het noorden van Nederland dan ook vrij snel het kookpunt. Dat is hun ware gevoelstemperatuur. Sissende ijzers op bevroren water. It giet oan.

 Vandaag, woensdag 1 februari, had ik een rangeerdienst in Eindhoven. Veel buiten gelopen, maar zonder handschoenen en zonder muts. Zonder voering in mijn jas trouwens ook. Hebben we eindelijk een beetje winter, dan moet je het voelen ook. Jammer dat ik juist vandaag geen reizigerstreinen mocht rijden. Van een mooie rit door een maagdelijk sneeuwlandschap gaat mijn gevoelstemperatuur enorm omhoog. Al kan dat natuurlijk ook met de cabineverwarming te maken hebben.

 Voor ouderen en hele jonge kinderen kan de kou vervelender gevolgen hebben. Voor mensen die wat minder mobiel zijn en bijvoorbeeld met een rollator of stok lopen, liggen botbreuken op de loer. Jonge kinderen raken eerder onderkoeld dan volwassenen, omdat ze verhoudingsgewijs een groter lichaamsoppervlak hebben. Nu mijdt de eerste groep station Eindhoven al zoveel mogelijk, bij gebrek aan een mogelijkheid om zelfstandig de trap af te komen en een eventuele overstap te halen. Voor kersverse ouders is het nog even wennen.

Met kinderwagens wachten op de lift

 Zo stond ik halverwege de middag tegenover een jong echtpaar met een brede kinderwagen met daarin twee dik ingepakte rolletjes mens. Zij vroegen of er op het station van de grote stad Eindhoven ook een lift beschikbaar was. Ik antwoordde hen beleefd dat die lift er wel was, maar dat die slechts door een zeer select groepje medewerkers bediend mocht worden. Tot dat groepje behoorde beslist geen machinisten of conducteurs. Ik heb voor de ouders en hun kroost een servicemedewerker gebeld, meer kon ik niet doen. Ondertussen had zich nog een moeder met kind en een ezel bij het gezelschap gevoegd. Het leek in de rondstuivende sneeuw haast een kersttafereeltje.

 Zoals (bij velen niet) bekend, is de lift in Eindhoven niet meer te gebruiken door reizigers en het gewone personeel. De reden waarom dat zo is, is me – na bijna een jaar – nog altijd niet duidelijk. Ook weet niemand wie de verantwoordelijke is voor de liftafsluiting die al zoveel minder valide mensen van het station heeft verjaagd. De persoon in kwestie heeft zijn gezicht nooit aan de mensen, die op hulp voor het gebruik van de lift op een sleutelpersonage moesten wachten en daardoor hun overstapt misten waardoor ze een uur langer op een tochtig perron mochten wachten, laten zien. In eerste instantie was het lagere personeel verteld dat de lift op slot was gegaan op last van de brandweer. Maar toen de brandweer van niets bleek te weten, was het tóch gebeurd op last van de brandweer maar dan onverklaarbaar anders. Of iets dergelijks.

Kraai verjaagt ekster

Spil in deze waanzin is de sleutel. De sleutel waarmee de lift bediend kan worden, dat wil zeggen van begane grond naar perron of van perron naar begane grond gebracht kan worden, speelt een sleutelrol in dit verhaal. Iets of iemand bewaakt deze sleutel – en haar kopieën – alsof het om de Heilige Graal zelf gaat. Zodoende kon het gebeuren dat drie piepjonge kinderen een kwartier in de snijdende kou moesten wachten op de lift. Liever onderkoelde kinderen dan een machinist de lift laten bedienen. Daar daalt mijn gevoelstemperatuur dus flink van.

 Om het geheel toch een positieve draai te geven: bevriezing schijnt een mooie dood te zijn. Je zakt langzaam weg in een wereld van dromen en fantasieën, die je zelf creëert. Dan komt het goed uit dat de Heilige Graal in de buurt is, want dat betekent dat één van de kinderen in de wagens, de toekomstige Koning Arthur moet zijn, bekend van zijn ronde tafels. En als we één ding kunnen gebruiken, dan is het een jonge man, die, alle regels en gedragscodes negerend, met een krachtige, bijna magische armbeweging, het zwaard Excalibur uit de rots trekt en muren slecht die nooit opgetrokken hadden mogen worden. Sloten opent die nooit gesloten hadden mogen worden.

 Euhm…

 Ik denk dat ik even naar binnen ga. Volgens mij begin ik zelf enkele symptomen van onderkoeling te vertonen…