bewakingsband 2

Wacht! Dienst.

Aanrijding met persoon

Een sombere dag aan het eind van de week. Om vijf uur ’s morgens open ik het hek van het parkeerterrein bij het station. Heel in de verte kaatst het krijsende geluid van een wekker nog door mijn schedel. Geen idee wat ik hier kom doen. Voorlopig eerst maar richting stationshal lopen, dan kies ik daar wel een trein uit.

Het is niet bepaald een verfrissend wandeltochtje. Als ik de cabine in stap, is mijn rug nat van het zweet. Ik trek direct mijn colbert uit en hang hem over de haak aan de deur. Het ding voelt klam aan en zal de rest van de dag ook niet meer droog worden. Ik probeer de waas in mijn hoofd met een slok water en een plak peperkoek weg te treiteren, wat – geheel tegen de verwachting in – nog half lukt ook. Het is erg rustig op de perrons. Dat versterkt mijn gevoel dat het vandaag zaterdag is. Ach, dan houd ik deze vrijdag wel tegoed.

Ik rijd vandaag alleen maar stoptreinen, of sprinters zoals dat tegenwoordig genoemd wordt, maar wel allemaal verschillende. In een grote stad, die vandaag bijzonder weinig belangstelling toont, loopt een conducteur op me af en begint een praatje. Ik kan hem niet helemaal volgen, maar ik begrijp dat hij iets heldhaftigs heeft gedaan, iemands leven gered, en daarvoor de bijbehorende oorkondes en dankbetuigingen heeft ontvangen. Zijn gezicht komt mij bekend voor, maar ik kan het niet plaatsen. We hebben ooit intensiever samengewerkt. Dat weet ik zeker. Toen keek hij in ieder geval een stuk vrolijker.

Hij vertelt me dat hij nu bijna veertig jaar bij het spoor werkt en dat dit de eerste keer is dat hij zich gewaardeerd voelt. Maar nu is het te laat. Kanker heeft de nodige aanslagen op zijn lichaam gepleegd. In plaats van bezorgdheid, medeleven, ondersteuning en vertrouwen in een goede afloop, ervoer hij de begeleidende verzuimgesprekken met zijn leidinggevende als bedreigend.
‘Hoe haalt iemand het in zijn hoofd zich drie keer per jaar ziek te melden? Besef je wel wat je je collega’s aandoet als je langer dan vier weken wegblijft? Door jou kunnen die geen dag verlof krijgen.’
Over de strijd tegen kanker wordt met geen woord gerept.

Zout brandt in de hoeken van zijn ogen. Zijn eigen teammanager heeft nog gezegd:
‘Dat is de eerste keer dat ik iets positiefs over jouw in een rapport lees, dat klopt toch helemaal niet?’ Veertig jaar met hart en ziel voor het bedrijf gewerkt en pas als je een keer als held in de media komt, word je als medewerker serieus genomen en als volwassene behandeld. De rest van de tijd word je slechts afgerekend op bedrijfsresultaten, targets, rondetijd, cijfertjes en (gemanipuleerde) statistieken. Zolang een buitenstaander je geen naam geeft, blijf je een nummer.

Vlak voordat ik de volgende stad bereik, ontvang ik in de cabine een alarmsignaal. Ik rem direct fors, in de hoop dat er de eerste vijfhonderd meter vóór mij niets aan de hand is. Terwijl de trein vertraagt, klinkt nogmaals het alarmsignaal. Ik hoor de treindienstleider iets vragen, maar verstaan doe ik het niet. Ik meng met niet in het gesprek, dat is nu in eerste instantie bedoeld voor degene die het alarm gegeven heeft. Tussen veel geruis door, vertelt een aangeslagen stem dat er in de buurt van Breda iemand voor zijn trein gesprongen is.

Een geluk bij een ongeluk. Ik hoef vandaag niet naar Breda, al heb ik wel te doen met het personeel en de reizigers in de aanrijdingstrein. Die zitten minimaal twee uur in de trein vast. Hopelijk met airco, en dan moeten ze nog hopen dat de zon niet doorbreekt. Dit klinkt a-collegiaal, maar ik weet dat mijn beroepsgenoot er hetzelfde over denkt. Zelfbescherming remt in ruime mate eventueel aanwezige overmoed.

Tegen drie uur bereik ik mijn eindpunt en pak ik mijn spullen om naar huis te gaan. Weekend. Op weg naar buiten loop ik langs de kamer van de teammanagers. Er brandt licht en het niet storen-gordijntje is naar beneden getrokken. Tenzij er nog iets anders aan de hand is, zit daar de wachtdienst-beambte met de machinist en conducteur die de aanrijding hebben meegemaakt. Het eerste deel van het opvang-traject. Of aanrijdingen deel uitmaken van het beroep, daarover zijn de meningen verdeeld. Dat je er niet aan ontkomt, daarover heerst meer overeenstemming.

Zo somber als ik die dag begon, eindig ik hem ook. Er vallen een paar spetters uit de lucht, maar zware regen zit er niet in. Ik denk terug aan het gesprek dat ik aan het begin van de week had met de hoogste baas van het gebied. Over columns, censuur en intimidatie. Ik moet nu echt op gaan passen met het beschrijven van de werkelijkheid. Een collega uit Zuid-Limburg heeft me onder druk van zijn managers al ontvriend op Facebook.

Dan trekt nog even de conducteur van vanmiddag aan mijn geestesoog voorbij. Zijn naam ligt op het puntje van mijn tong. Het onweert niet, maar zodra ik het metaal van de auto raak, schiet die me als een bliksemflits te binnen. Ik herinner me zijn naam, zijn ziekte en de strubbelingen met het management waarover hij tijdens een gezamenlijk gevolgde opleiding af en toe smakelijk vertelde. Het kan niet, maar ik twijfel geen moment. De gedistingeerde maar benaderbare houding, het verzorgde uiterlijk, de wat gereserveerde blik…
Ik sloot die opleiding een jaar of acht geleden af. Hij is sinds die tijd zeker vijf en twintig jaar ouder geworden.

Engel

Disclaimer: De gebeurtenissen in dit verhaal zijn allemaal echt gebeurd. Ik heb echter namen, tijden en plaatsen gewijzigd om herkenning of overeenkomsten met bestaande siuaties te vorkomen. Mocht je jezelf of iets of iemand anders in dit verhaal herkennen, dan berust dat op louter toeval.

PSV

Mistig PSB

Naderen Eindhoven vanuit een onoverzichtelijke situatie. Als een spin staat het stadion klaar om weg te kruipen. Voetbal ziet het helemaal niet meer zitten. Maar die verrekte Guus Meeuwis, elk jaar weer. En als hij nou nog een beetje kon voetballen…

Philips beukenlaan

Een hemelse Philips door de CKE musicalschool

CKE Musical

Je kunt het zo gek niet bedenken, of er bestaat een musicalversie van. Of het nu gaat om de prachtige bananen van Chiquita, of de legendarische rookworst van de Hema. Paar liedjes, stukje tekst, even van vel wisselen en hup, succes gegarandeerd. Toch hebben we in Eindhoven lang moeten wachten op een muzikale versie van de geschiedenis van de stad. Een stad die er heel anders zou hebben uitgezien als niet vader en zoon Frederik en Gerard Philips er in 1891 een klein gloeilampenfabriekje waren begonnen.

De musical die gedurende vijf voorstellingen in het Parktheater te bewonderen was, is geheel door het Centrum voor de Kunsten Eindhoven (CKE) geproduceerd. Met een beetje ondersteuning van enkele oud-topmannen van Philips, die, behalve tips, ook oude films en ander materiaal uit wilden lenen. Het is een prachtige musical geworden met een goed script en beelden die je soms even naar het verleden doen verlangen, toen een werkgever ook in sociaal en cultureel opzicht nog iets voor zijn werknemers wilde betekenen.

Een groot orkest – dat was wel anders toen ik zelf trompetles kreeg op de muziekschool – dat bijna professioneel speelt, en scènes die tot in het kleinste detail – zoals de verhouding tussen katholieken en protestanten of de komst van Aziatische gastarbeiders – de geschiedenis van Eindhoven laten zien. Een stad die veel te laat in de gaten kreeg dat het met het vertrek van Philips naar Amsterdam, een spookstad dreigde te worden.

Natuurlijk kun je deze amateurproductie niet vergelijken met een gelikte Joop van den Ende-musical. Bij Joop is elke stap ingestudeerd, elke beweging, elke gezichtsuitdrukking ligt vast in het script. Als je een tweede keer dezelfde musical bezoekt, lijkt het één lange flash-back. Alsof je naar een DVD kijkt. Als Joop zegt dat de voorstelling vóór de pauze één uur, acht minuten en tweeënvijftig seconden duurt, dan duurt deze ook één uur, acht minuten en tweeënvijftig seconden en geen één uur, acht minuten en eenenvijftig seconden of één uur, acht minuten en drieënvijftig seconden. Bij Joop zie je dan ook geen schaduwen over het toneel sluipen.

Die zie je in het Parktheater wel. Vooral bij deelnemers die voor het eerst op het podium staan. Wie goed oplet, moet het opvallen dat deze schaduwen soms vergeten dezelfde bewegingen te maken als de acteur of actrice aan wie ze toebehoren. Een klein meisje verliest tijdens het touwtjespringen haar blauwe kapje. Herhaaldelijk probeert ze het weer op haar hoofd te zetten, maar door al het gehuppel lukt het haar niet. Dan zie je haar schaduw zich van het podium hijsen en over haar jurkje naar boven glijden.
‘Het geeft niet, hoort gewoon bij je rol. Vouw het doekje op of hang het rond je nek. Dan kan er niets fout gaan.’
Het meisje glimlacht even; ze heeft de stem herkend.

    ‘Die broek heeft je moeder zeker voor je gekocht? En nu moet je het prijskaartje eraan laten hangen zodat ze hem maandag weer terug kan brengen naar de winkel. Nou, ik laat je hier niet voor gek staan dansen. Dat kaartje knip ik eraf. Zeg maar tegen je moeder dat je iets dat om je lijf heeft gezeten, niet meer kan ruilen. Dan weet ze wel wat ik bedoel.’
Het zijn beschermengelen die zich een moment uit de schaduw losmaken om hun goede werk te kunnen verrichten.

UFO of wolk?

Ik ga hier niet het hele verhaal in details beschrijven. Eén actrice wil ik toch even noemen. De aanvoerster van een groep hippies. Ze beent stampend over het toneel, staat stil, ziet iets in de hemel, wijst en roept met vertraging: ‘WOW’. De hele groep volgt: ‘WOW.’ Een jointje maakt de geestelijke verrijking compleet. Misschien klinkt daardoor haar stem bij inzet wat rauw. Maar als ze even uithaalt, breekt de ijslaag op haar stembanden en sneeuwen de noten als kristallen uit haar mond. Ze klinkt een beetje als Bette Midler. Ook een beetje als Bonnie Tyler en dat is voorlopig stemgeweld genoeg. Er zweven twee schaduwen langs haar lichaam, maar die grijpen nergens in. Het zijn eerder bewonderaars dan beschermengelen. Trouwe fans die laten weten dat ze er zijn en er altijd zullen zijn.

Ik denk dat ze in het dagelijks leven precies zo is. Niet zozeer die joint en misschien roept ze er geen wow bij, maar ze ziet het wel. Twee spelende kittens in schapenwolkjes of grijpende armen in een onweerslucht. Ik zie het vaak vanuit de cabine van mijn trein, daarom heb ik altijd een fototoestel bij me. Misschien dat ik daardoor weleens een minuutje te laat ben, maar dat is voor iemand met een beetje fantasie toch helemaal niet erg? Ik ben benieuwd hoe Misérables het volgend jaar wordt, eerst wachten op de DVD van Philips.

Alle musicalsterren van het CKE bedankt voor een geweldige musical en succes met jullie Kunde, ofwel: Kunst!

Phiips Sport

Van YouTube:

paars

Floriade 2012

Woensdag 30 mei, tien uur in de ochtend. Ik ga met mijn moeder naar de Floriade. Ik en mijn moeder, wij tweetjes. Mijn moeder en ik. Samen, twee dus. Ons twee. Ons samen, mijn moeder en ik.
Als ik de kamer binnenkom, staan er echter een man of tien, twaalf – voornamelijk vrouwen – door elkaar heen te kakelen. Ze hebben allemaal een door mijn moeder verzameld kortingskaartje in de hand, maar kunnen het er niet over eens worden wat nu het voordeligst is: vijf euro korting op één kaartje, of tien procent op de hele bestelling behalve de kabelbaan. Je hebt ook nog vijf euro korting inclusief kabelbaan maar zonder pendelbus, tien euro korting exclusief alles maar met een kopje koffie, vijftig procent korting op een tweedagenkaart binnen zeven dagen te gebruiken exclusief het weekend, twintig procent korting met chocoladebol exclusief kabelbaan met pendelbus, twee euro korting op een chocoladebol met kabelbaan exclusief pendelbus en zelfs honderd procent korting als je lekker thuis blijft.

Als ik het voordeligste kaartje noem, trein plus toegang, valt er een stilte. Heel even toch.
Trein? Ben jij nou helemaal belazerd! Kom je minstens een uur te laat. En je moet ook nog naar het station. Krankzinnig. Gekkenwerk.”
Nee, ze zijn al aan het bespreken met hoeveel auto’s we moeten gaan. Zus A heeft om vijf uur een sollicitatiegesprek dus die moet eerder weg, broer B moet om drie uur de vis uit de vrieskast halen, tante C wil tot het laatst blijven vanwege de kleuren in de dalende zon, om dwars te liggen moet neef D om vier uur thuis zijn en oom F vraagt zich hardop af of het wel zin heeft om mee te gaan. Hij moet immers nog een financiële klus klaren voor een belangrijke cliënt.
‘Je hebt morgen nog tijd genoeg om je drankrekening in de kroeg te betalen,’ piept en kraakt de stem van zijn eega er achteraan.
Zes auto’s minimaal.

Als de hele kliek, door mijn moeder uitgenodigd omdat ze bang is dat ze anders niet het maximale voordeel uit haar bonnen haalt, beneden in de hal staat zeg ik:
‘O ja, een parkeerkaart kost tien euro.’
Het is een beetje behelpen, maar met twee auto’s vertrekken we rond elf uur richting Venlo. We besluiten, op advies van de chauffeur van de eerste auto – ik dus – via Helmond te rijden. Dan slaan we dat vervelende stuk stoplichtenellende van de Eindhovense rondweg alvast over. Deze stad die Eindhoven zo laf vanuit het oosten aanvalt, bereiken we in minder dan vijf minuten. Het aantal gele borden op de weg verkondigt niet veel goeds. Op het bord dat mij de weg naar de snelweg wijst, staat dat deze weg afgesloten is voor werkverkeer. Geen probleem. De meeste inzittenden van de twee auto’s hebben nog nooit gewerkt. Vijftig meter verderop staat echter een bord dat vertelt dat de straat is afgesloten voor álle gemotoriseerd vervoer. Nog drie keer rechts dan maar, zitten we weer op de hoofdweg van Helmond. Hebben we nog geluk, want fietsers lezen pas op het derde bord dat ook voor hen de weg afgesloten is.

Op het moment dat ik twee vrijwilligers aan wil wijzen om op het knopje te drukken, springt het verkeerslicht eindelijk op groen. Langzaam rijdend bekijk ik de gele borden rechts van mij opnieuw. Inderdaad, het staat er echt. Verboden voor werkverkeer op het eerste bord en verboden voor alle verkeer op het vierde. Onmogelijk te lezen als je met normale snelheid rijdt. Maar de redding is nabij, het blauwe bord Venlo staat slechts een klein stukje verderop. We komen aan bij een verzameling rotondes met hier en daar een klein stukje overgebleven asfalt ertussen. Kilometer na kilometer volgen we het labyrint dat bij Helmond schijnt te horen. Wat is deze stad van plan? Zou deze weg het industrieterrein rechtstreeks verbinden met Polen? Het is hier vergeven van de garages en showrooms. Zijn Polen dol op. Als die tweedehands leugenaars ze geen auto kunnen slijten, dan toch zeker een tomtom om dit doolhof te verlaten.

Ik begin een heel klein beetje te wanhopen als ik plots de uitweg zie: de oprit naar de weg die ons naar de oprit van de A67 zal brengen. Ik stuur rechts de laatste rotonde op om vervolgens via een onmogelijke bocht naar links een hele ronde te draaien. De door mij gewenste afslag is zonder opgaaf van redenen afgesloten.
‘Opa, opa, opa,’ roep ik. ‘Geen oorzaak, geen prognose, geen alternatieve route aangegeven.’
‘Net de NS,’ klinkt een eenstemmig koor achter me. De auto stuurt een stuk lichter als ik de Mercedes-garage verlaat. Even wil ik de Trojka van Drs. P. inzetten, maar dat zal wel in een sneeuwballengevecht eindigen. Om kwart voor twaalf rijd ik weer op de weg die ons binnen vijf minuten thuis kan brengen. Vijftien jaar geleden werkte ik als koerier bij DHL. Ik reed toen elke dag via Helmond en Deurne naar Rank Xerox in Venray. Laten we die weg dan maar nemen. Mogelijk bereiken we dan direct de parkeerplaatsen aan de Venrayseweg, zonder over de snelwegen A67 en A73 te hoeven kronkelen.

Zover komt het niet. Vlak voordat we Helmond definitief verlaten, krijgen we nog de kans linksaf naar Venlo te slaan. Links af te slaan. Linksaf te slaan richting Venlo. Driemaal is scheepsrecht, dus nu zitten we vast goed. Ik kan in ieder geval een tiental minuten gewoon doorrijden. Wel fijn tussen de bomen, de zon begint namelijk behoorlijk te branden. Dat zie ik aan het zinderende asfalt op het industrieterrein. INDUSTRIETERREIN? Jawel. Ik moet nu linksaf naar Venlo, maar een informatiebord op een vierkant geel bejaardenkarretje geeft aan dat de weg naar Venlo wegens een ongeval is afgesloten. Ik word dus rechtdoor gedwongen, op naar de rotondes van Helmond. Die weten niet wat ze overkomt en door middel van een idiote vlakverdeling op het wegdek proberen ze vooral oudere verkeersdeelnemers op het verkeerde been te zetten. Wiel. Op het verkeerde wiel te zetten.

Om na ruim een uur rijden niet voor de vierde keer op hetzelfde punt in Helmond uit te komen, volg ik de richting Brouwhuis. Als ik het station kan vinden, iets dat me ook vanuit de trein niet altijd lukt, zitten we toch bijna in Deurne. Zonde om dan alsnog terug te rijden naar Eindhoven en via de rondweg te gaan. Heel verstandig dat niemand oppert dat we dan allang aan de bar in het Floriadecafé hadden gehangen. Ik negeer nu alle borden die Venlo aangeven en scheur – netjes met tachtig kilometer per uur – in één ruk naar Deurne en verder naar Venray. Via de wereldsteden Leunen, Ysselsteyn – (stil niets zeggen,) Meterik, Hegelsom, Sevenum en Helenaveen – ik heb inderdaad geen tomtom – bereiken we na anderhalf uur dan eindelijk het parkeerterrein van de Floriade, vijftig kilometer verwijderd van de startplaats thuis. De pendelbus staat al op ons te wachten en na een ritje van vijf minuten staan we voor de imposante ingang van de Floriade 2012. Nu nog twintig minuten de kassière gek maken met onze voordeelkaartjes, kortingsbonnen, voetbalplaatjes, juicharmen en gijpvogels (?) en we kunnen op zoek naar de eerste de beste drankgelegenheid.

Vergeleken met ons afgepeigerde, uitgedroogde groepje benzineverslaafden, ziet de inhoud van de volgende bus die leegstroomt er opvallend fris uit. Ze dringen nog voor ook, maar mijn tong plakt inmiddels vast aan mijn gehemelte. Lachend lopen ze voorbij de kassa’s alsof niemand hen iets kan maken. Ja, trein plus toegang natuurlijk. Die hoeven bovendien geen benzine te betalen. En geen wegenbelasting. Hebben een beetje lol lopen trappen tijdens de treinreis, terwijl ik me in het zweet heb gestuurd. Het zijn de happy few, dat straalt van hun gezichten. Maar mijn wraak zal zoet zijn als ik aan het eind van de middag in de bus stap naar het parkeerterrein terwijl er tientallen mensen in lange rijen wachten op de bus naar het station. Pas als ik ga tanken, weet ik wie er het laatst lacht. De trein is zo gek nog niet.

Op de Floriade zelf? Nou, vooral veel bloemen. Heel veel bloemen. Planten ook wel, veel planten zelfs, maar toch voornamelijk bloemen. Veel, heel veel bloemen. Zoiets als de Intratuin eigenlijk.

AH… en je ziet er tien jaar jonger uit

Albert Heijn XL, de extragrote supermarkt, aan het begin van een druilerige vrijdagmiddag. Drie jonge vrouwen lopen de winkel binnen. Een mandje of wagentje hebben ze niet nodig. Eén van de drie heeft een nogal bol gezicht. Daardoor twijfel ik even. Gezien de strakke lijnen rond hun ogen en het matige gebruik van goed gecombineerde mascara en lippenstift, schat ik hun leeftijd zo rond de negentien of twintig. Die met het bolle gezicht zou ook achttien kunnen zijn.

  Deze laatste heeft een strakke spijkerstof rok aan, met daarop een even strak zwart truitje. Daardoor worden al haar rondingen, in zowel voor- als zijaanzicht, extra geaccentueerd. Ze beweegt alsof ze over de catwalk loopt, de versie voor niet-anorexiapatiënten.
De vrouw met het blonde haar, speelt een meer arrogante houding:
‘Hé, heb ik jou toestemming gegeven naar mij te kijken? Dacht het niet! Nee, nou niet weglopen. Zeg eens eerlijk, vind je mij niet geweldig?’
De derde, met zwart haar, loopt er wat ongeïnteresseerd bij. Ze zoekt iets anders, maar kan het niet vinden. Voor haar geen jongens meer, voor haar alleen nog maar echte mannen; doorleefd gezicht, gespierd, jaartje of vijfentwintig.

  Ik draai net van de pastacorner via de chocovoordeelton de melkweg in, als ik achter mij een luid geschreeuw hoor, samen met de herrie van stuiterende wieltjes. Het meisje met de ronde vormen zit voorop een tot automobiel omgewerkt winkelwagentje. Ze ligt half achterover, haar benen gespreid de lucht in stekend. Ze giert het uit van het lachen. De witte maillot die ze onder haar rok draagt maakt duidelijk dat de voordeur voorlopig nog gesloten is.

  Ook het blonde meisje is uit haar rol gevallen. Wat maakt het haar nou uit wie er naar haar kijkt. Zeg eens eerlijk, vind je haar niet geweldig?
Het derde meisje twijfelt. Het is wel heel erg kinderachtig, maar zo te zien hebben haar vriendinnen toch ook wel heel erg veel lol. Ze onderbreekt haar zoektocht naar de echte man voor een minuutje of vijftien. Ze gilt een keer en rent achter de anderen aan. Slaat een arm rond een jongen met een zwarte jas en zelfde kleur pet die zich net bij het groepje heeft aangesloten.

 Ik schat ze een jaar of vijftien, waarschijnlijk zijn ze zelfs nog jonger. Veertien. Die met het bolle gezicht zou ook dertien kunnen zijn.

Hamsteren!

beroepseerlng

The Mission

De stichting Beroepseer strijdt tegen het weghalen van de macht bij de werkvloer en het aanbrengen van managementlaag op managementlaag om het werkvolk in bedwang te houden. Vooralsnog met weinig succes. Integendeel, in deze tijd van hypersnelle communicatie, wordt alle contact met het uitvoerend personeel verbroken. Tijd om daar iets tegen te doen. Dit is de missie van de stichting beroepseer:
In Nederland is al decennia lang sprake van een enorme geringschatting van de deskundigheid op de werkvloer. In toenemende mate is gaan gelden dat functies hoger worden gewaardeerd naarmate deze daarvan verder afstaan. De kennis, motivatie en ervaring van de werknemers die het ‘echte werk’ doen worden ondergewaardeerd en onderbenut. Dit heeft tot kaalslag en beroepszeer geleid. Dit is met name het geval in (semi-)publieke sectoren op de gebieden als veiligheid, onderwijs, zorg, welzijn en beleid. Het respect voor en zelfrespect van werknemers is ondermijnd door een bombardement van permanente reorganisaties, schaalvergrotingen en regels. Dat uit zich aan de kant van de dienstverleners in demotivatie, matige prestaties en een groot verloop. En aan de kant van de gebruikers in teleurstelling en agressie. En vervolgens in de voorspelbare roep om de klant tot koning te kronen.
Dat zal de problemen echter niet voldoende oplossen.
Beroepen en sectoren die blootgesteld zijn aan de harde tucht van de markt leveren lang niet altijd meer kwaliteit. Er lijkt sprake van een meer algemeen cultureel probleem. Immers, beroepsgroepen die vanouds een hoog beroepsethos hadden, als notarissen en accountants, lijken ook steeds meer in verwarring te verkeren. Deze culturele kaalslag heeft grote gevolgen gehad. Niet alleen de (semi-)publieke, maar ook de vrije marktsector is in toenemende mate daaronder gaan lijden. Geen wonder dat Nederland de laatste jaren fors gezakt is op internationale ranglijsten. Of het nu gaat om concurrerend vermogen, de aanwezigheid van corruptie of het vertrouwen in de overheid. Meer geld alleen zal dit probleem niet verhelpen.
Het is de hoogste tijd voor een renaissance van beroepseer en beroepstrots op verschillende fronten. De verwaarlozing daarvan is Nederland steeds meer opgebroken. Eergevoel betekent dat iemand ernaar streeft kwaliteit te leveren en daarin ook door anderen te worden erkend. Daarbij stelt iemand hoge eisen aan zijn eigen doen en laten, om in de ogen van zichzelf en anderen iets voor te stellen. Het gaat om hoge eisen die zijn geworteld in zelfrespect en beroepstrots. Professionals moet weer voluit de kans gegeven worden en de kans grijpen hun persoon te verbinden met hun vak, zodat ze ‘naar eer en geweten’ kunnen werken. Intellectueel, cultureel en moreel kapitaal doen er in de moderne tijd steeds meer toe. Wanneer werknemers leren te ondernemen met hun talenten, hun ideeën kunnen ventileren in een omgeving waar er aandachtig wordt geluisterd komen hoge ambities vrij. Dan willen zij ook worden aangesproken op de realisering daarvan en ontstaat er synergie.
Om dit mogelijk te maken moet er veel veranderen. Laten managers zich als dienstbare leiders opstellen. Laten we de deugdzame cirkel van kwaliteit en arbeidsvreugde weer herontdekken. Laten de professionals de moed hebben weer op te komen voor wat hen bezielt. Laten we verzwakte beroepsgroepen aanmoedigen te kiezen voor kwaliteit en beroepseer, en deze zo van binnenuit weerbaar te maken. Laten we met elkaar praten over wat beter en anders kan, wat onze verlangens zijn en elkaar stimuleren die te realiseren.
En laten we in Nederland opruiming houden in het enorme arsenaal aan demotiverend ‘gereedschap’: het steeds weer opnieuw openlijk twijfelen aan de arbeidsmoraal, kwaliteit van arbeid uitsluitend af te meten aan doelmatigheid, permanente reorganisaties, politieke stelselwijzigingen zonder medezeggenschap of betrokkenheid van de professionals, vermenigvuldigen van regels, procedures en formulieren die ten koste gaan van de tijd die aan het echte werk kan worden besteed, uitdijing van de lagen van duurbetaalde managers, coördinatoren en bestuurders, het streven naar zoveel mogelijk ‘gelijkgeschakelde werknemers’, gebrek aan wederzijds respect en vertrouwen. Deze beschreven ommekeer kan alleen slagen wanneer politici, bestuurders, managers, professionals het lef hebben de renaissance van beroepseer en beroepstrots tot topprioriteit van Nederland te maken.

Ik niet…

Bovenstaande gedicht uit 2005 werd onlangs opnieuw op een webforum geplaatst. Het heeft nog niets aan actualiteit ingeboet. Ik reageerde op dit gedicht met een stukje spontane poëzie. Nog geen twaalf uur later was het weer verdwenen. Dat komt de laatste tijd steeds vaker voor. Mocht ik een jaar geleden nog vrijuit op de website van het Eindhovens Dagblad reageren, sinds ik een verband legde tussen bezuinigingen binnen de geestelijke gezondheidszorg en het aantal zelfdodingen van onbehandelde patiënten, wordt geen enkele reactie van mij meer geplaatst. Waarschijnlijk via het ip-adres, want ik heb verschillende mail-adressen gebruikt.

Gelukkig heb ik het – overigens niet briljante, het was slechts een reactie – gedicht wel opgeslagen voordat ik op verzenden tikte. Hierbij dus alsnog:


Ik niet…

Dat het aan de leiding ligt, mag jij zeggen.
Ik niet.

Dat er op het spoor chaos heerst, mag jij zeggen.
Ik niet.

Wat er aan de hand is, moet ik vertellen.
Jij niet.

Maar jij kunt het mobiel op internet zoeken.
Ik niet.

Dat jij de smoezen niet gelooft, mag jij zeggen.
Ik niet.

Dat je eerlijk geinformeerd wil worden, mag jij zeggen.
Ik niet.

Dat er meer ongelukken gebeuren dan nodig, mag jij zeggen.
Ik niet.

Dat seinen beter beveiligd moeten worden, mag jij zeggen.
Ik niet.

Jij mag een mening hebben over zelfdoding.
Ik niet.

Wat een conducteur daarna voelt, mag jij zeggen.
Ik niet.

Wat er met vierkante wielen gebeurt, weet ik wel.
Jij niet.

Maar jij mag er over schrijven.
Ik niet.

Jij wordt om je gedicht niet bedreigd.

Ik om deze reactie wel.

Jij mag discussie uitlokken.`
Ik niet.

Jij mag naar de radio luisteren.
Ik niet.

Jij mag NS vragen stellen.
Ik niet.

Jij krijgt geen eerlijk antwoord.
Ik ook niet.

Jij mag je schrijver noemen.
Ik niet.

Jij mag je dichter noemen.
Ik niet.

Jij mag je journalist noemen.
Ik niet.

Jij mag misstanden onderzoeken.
Ik niet.

Jij mag een column schrijven.
Ik niet.

Jij mag je mening verdedigen.
Ik niet.

Maar jij werkt niet bij NS.

Ik ben er machinist.

Aside

Een verhaal met plezier gelezen? Gelachen, gehuild, verontwaardigd instemmend geknikt of hoofdschuddend aan de kant geschoven? Als het aan NS ligt, kan het straks allemaal niet meer…

Teken hier de petitie.

Klik hier voor meer informatie

Petitie

Raadsel?

Vraag:

1. Wat is het vertrekstation van deze trein?
2. Wat is het eindpunt van deze trein?
3. Op welk station bevindt deze trein zich op 2 juni om 03:00 uur?

Actuele reisinformatie?

 Antwoord:

1. Deze trein is vertrokken van station Eindhoven.
2. Het eindpunt van deze trein is Den Haag HS.
3. We bevinden ons op dit moment in Rotterdam.

Voor wie dit niet geheel en al duidelijk is, gloort er hoop aan de horizon. De NS-top is erachter gekomen dat dit toch niet helemaal de beoogde duidelijke, voor iedereen te begrijpen reisinformatie is en is tot actie over gegaan. Onlangs is er een directeur reisinformatie aangesteld.