Perplex

Hogedrukreiniger

Zoals bekend is de cabine van de machinist een vrijwel hermetisch gesloten ruimte. De portofoonverbinding met de hoofdconducteur is tot op de laatste accucel leeggezogen en de enige duplexverbinding, die met de treindienstleider, moet als simplex gezien worden ten einde het langs elkaar heen praten tot een minimum te beperken.

Privé communicatiemiddelen zijn ten strengste verboden en met het enige apparaat dat de machinist van de broodnodige reisinformatie zou moeten voorzien om ten minste de reizigers ervan te verzekeren dat ze zich op het juiste spoor bevinden: de railpocket – door de directie met ingehouden hoongelach aangekondigd als een ‘soort van’ iPhone – kun je niet bellen, geen verbinding maken met het internet en uitsluitend mailen met je direct leidinggevende.

Toch heb ik mijn cabine nooit beschouwd als een gevangenis, integendeel, deze kleine ruimte gaf en geeft me nog altijd een groots gevoel van vrijheid. Dat ik de aansluiting met de moderne maatschappij daardoor enigszins mis loop, bewees mijn zwager afgelopen weekend op een verjaardag:

‘Ik was met de hogedrukreiniger het gras aan het afsproeien! Roept de buurman dat ik teveel lawaai maak op een zondag. Wat vind je daar nou van?’

Simplex, duplex; ik kon alleen maar instemmend knikken.

Meeloper

Dwingeloo

Nacht. Stil en donker op de Dwingeloose hei. Acht jongens van twaalf en dertien jaar oud ademden zachtjes in kleine, met stapelbedden gevulde ruimte. Niemand sliep. Na twee dagen van gedwongen rust – in Dwingeloo leefde men nog aan de hand van zware, zwarte bijbels – hing er een spanning tussen de bedden die wel tot een ontlading moest komen. Zes jongens maakten zich op voor een kussengevecht. Geen eerlijk gevecht, maar alleen tegen een. Twee jongens hoopten, baden met hart en ziel dat zij niet het doelwit van deze razernij zouden worden.

Het lot viel op Remco. Een kleine jongen – net als ik – met een uitgesproken Gronings accent. Dat moet de voornamelijk uit de Randstad afkomstige jongens net zo vreemd in de oren geklonken hebben als mijn zachte Brabantse G. Als buitenbeentjes binnen de groep waren we de laatste twee dagen steeds bij elkaar in de buurt gebleven. De jager aast immers vooral op een prooi die alleen is.

De volgende ochtend werd onze groep door de kampleiding bijeen geroepen. Remco was naar huis, zijn ouders waren hem komen halen. Wat was er gebeurd, hoe was het mogelijk dat de hele groep zich tegen die kleine, wat verlegen jongen uit Groningen keerde? Ik kon me gelukkig afzijdig houden. Ik had hem in de steek gelaten maar toch had Remco mij nog zijn enige vriend op het kamp genoemd.

Twee jaar later kwam ik bij een jongen in de klas die ook opviel. Hij was groot, sterk en ronduit lomp. Niet in zijn manier van praten, maar in zijn beweging. We stonden dan ook altijd gelaten naast elkaar bij de gymles te wachten wie er gekozen zou worden in een groep en wie er toegewezen moest worden.

Ik sprak Marcel weleens in de pauze en omdat we dezelfde kant op moesten, fietste ik geregeld een stukje met hem mee. Bij hem thuis ben ik nooit geweest. Hij liet niemand binnen omdat zijn vader blind was en hij het huishouden moest doen.

Laat op een woensdagmiddag zaten we in een geschiedenisles op de bovenste verdieping van de school, toen Marcel plotseling stil leek te vallen. Hij bewoog niet meer en staarde naar een punt in de verte. Een straaltje speeksel stroomde uit zijn rechter mondhoek, over zijn kin op zijn zwarte trui.
‘Alles goed Marcel?’ vroeg de geschiedenisleraar bezorgd.

Alsof een onzichtbare vinger hem een zetje gaf, werd Marcel weer een mens. Hij trok de zwarte trui die hij droeg over zijn hoofd, zodat hij in een geel T-shirt in de bank kwam te zitten, zuchtte een keer overdreven alsof hij van een grote last verlost was en nam een houding aan dat wat hem betreft de les gewoon verder kon gaan. Niet veel later zou blijken dat Marcel net een milde aanval van epilepsie had gehad.

Nederlands werd gegeven door een leraar die heel populair was bij de leerlingen. Dat wil zeggen: hij was vaak ziek. Meneer Van der Loo zat achter een bureau op een verhoging midden voor de klas toen Marcel plotseling voor zijn neus opstond, zijn tas inpakte en het leslokaal verliet. Het verbaasde iedereen, maar niemand die Marcel iets vroeg.

‘Zien jullie hoe moeilijk die jongen het heeft?’ Het moeten zo ongeveer de laatste woorden zijn geweest die de leraar Nederlands dat schooljaar heeft gesproken. Het was pas oktober.

Ja, wij zagen hoe moeilijk die jongen het had. Dat wil zeggen; wij zagen nu hoe moeilijk die jongen het had. De hele klas was plotseling tot besef gekomen hoe moeilijk Marcel het had en al die tijd al had gehad.

Enkele weken later, aan het eind van de pauze, werd Marcel vlak voor het klaslokaal door een jongen uit een andere klas aangevallen. Heel even rolden ze samen over de grond. Hoewel die andere jongen bij een populair groepje aandachttrekkers hoorde, klonk uit de massa een meisjesstem: ‘Kom op Marcel!’

De vreemdeling die merkte dat hij zijn publiek kwijt was, maakte zich uit de voeten. Een klein druppeltje felrood bloed op het gele T-shirt van Marcel gaf hem een minuut of twee een sterstatus. Een kleine gebeurtenis die ik me dertig jaar na dato nog als de dag van vandaag herinner.

Meneer Van der Loo is nooit meer op school terug gekomen, Marcel kreeg zoveel last van epileptische aanvallen dat hij al snel geen lessen meer kon volgen aan het reguliere onderwijs. Eén klasgenoot is hem nog een keer gaan opzoeken in het instituut waar hij nu verbleef. Hij haatte de lange pauzes. Die klasgenoot was niet ik, en hoewel het nooit te laat is, heb ik daar nog altijd spijt van.

Pas nu besef ik dat ik in al deze gebeurtenissen tot de meelopers heb behoord. Ik heb nooit iemand aangevallen of uitgescholden om erbij te horen, maar ik heb ook nooit een vinger uitgestoken om te helpen. En als ik in de afgelopen vier maanden één ding geleerd heb, dan is het dat passief toekijken bij een slachtoffer moeilijker te genezen wonden slaat dan de snijdende pijn van het pesten of schelden zelf.

De slachtoffers van pesten valt niets te verwijten, maar het zijn ook niet de pestkoppen die het ergste leed veroorzaken. Nee, wij zijn het, toeschouwers en zwijgers, die de genadeklap uitdelen. Wij meelopers zijn als enige verantwoordelijk voor het in stand houden van een cultuur waarin pesten levens van kinderen en volwassenen kan verwoesten.

De namen die ik in dit verhaal noem zijn niet verzonnen. Ze horen ook in werkelijkheid bij de beschreven personen. De enige die er zijn echte naam niet mee durft te verbinden, dat is de auteur.

Jan-Kees

The Elephant Man

Olifant

Filosofie voor machinisten – gevorderden

.

Reizigers vragen weleens aan mij: ‘Meester, waar zijn machinisten tijdens de rit eigenlijk zoal mee bezig. Alleen maar wat naar buiten staren is op den duur toch dodelijk saai?’

Staren, beste mensen, daar heeft een machinist geen tijd voor. Eén oogt speurt langs het spoor op zoek naar roestige rafels, botten en breuken. Het andere oog vergaapt zich aan de bovenleiding. Zit er geen steekje los, worden de portalen niet overbelast door het gewicht van de kabel en jagen we er wel genoeg spanning doorheen. Eén oor staat in verbinding met de treindienstleiding, het andere zit vastgekoekt aan de portofoon om in geval van nood direct de conducteur of conductrice naar de plaats des onheils te kunnen leiden.

Met de linkervoet schopt hij geesten en intermitterende – jawel, dat is er helemaal nooit uit geweest – spookverschijningen terug naar het Rijk der Dode Mannen, zijn rechtervoet is vrij om wat door de cabine te struinen, als die maar op tijd terug is als er een beroep wordt gedaan op zijn tyfoonkracht provocerend vermogen (TPV.) Zijn rechterhand zit gedurende de rit stevig om de remkraan geklemd, terwijl de linker soepeltjes de juiste hoeveelheid energie uit de bovenleiding zuigt. (Al is men het sinds de komst van de SLT binnen NS niet helemaal eens over de eigendomsrechten van de linkerhand.)

Inderdaad, deze taken worden na een tijdje routine. Dat wil niet zeggen dat het dodelijk saai wordt. Integendeel! Pas hier begint voor de machinist het echte werk, het echte leven.

Wie draait me terug?

Wie draait me terug?

Wie kan immers beter antwoord geven op de grote, existentiële vragen des levens dan de machinist, die door niets of niemand te beïnvloeden zijn oordeel over de wereld velt vanuit zijn hermetisch gesloten cabine?

Niemand! Eigenlijk zou op dit moment, begin januari 2013, de wereld er ook een stukje mooier uit moeten zien. Aan de machinist ligt het niet. De antwoorden op alle belangrijke vragen liggen keurig op implementatie te wachten. Alleen de communicatie laat het wat afweten. Zelfs duplex-verbindingen moeten tegenwoordig als mono-complex behandeld worden. En tussen alle oversenuiten-en-wiltuzichaandegespreksdisciplinehouden-sluiten hoef je geen zinnig woord meer te verwachten.

Heb je ooit een machinist over de oorzaak en het voorkomen van het treinongeluk in Amsterdam horen praten in het acht uur journaal?
Het antwoord ligt in zijn cabine.

Heb je ooit een machinist horen waarschuwen tegen de gevaren van het gebruik van almaar goedkopere infra?
Antwoord in zijn cabine.

Pieter van Vollenhoven zegt steeds: ‘De klap komt!’
Heb je ooit een machinist die uitspraak horen bevestigen of ontkrachten? Cabine.

Heb je ooit een machinist in het openbaar een vraag horen beantwoorden?

Kraats

De machinist kijkt er niet meer van op. Hij heeft geen punctuali-tijd om lang achterom te kijken. Waar hij ook gaat zitten, het is altijd de voorkant van de trein, op de toekomst gericht. Dat er niet naar hem geluisterd wordt, deert hem niet. Hij geeft zijn antwoorden zelfs als niemand de vragen nog durft te stellen.

Geen gemakkelijke taak, want dat het geen gemakkelijke vragen zijn, zie je aan bovenstaande foto. Geef hier maar eens antwoord op:

Circus. Olifanten en zebra’s, ja of nee?

 

Maya’s 2013; einde van een nieuw begin.

Kom uit je schaduw

Kom uit je schaduw

Aan iedere lezer natuurlijk De Beste Wensen voor 2013.

Ik wens iedereen daarbij een open, gezond maar vooral ‘eerlijk’ nieuw jaar toe. Met ‘eerlijk’ bedoel ik vooral: strijden met open vizier. Iedereen verantwoordelijk voor zijn of haar eigen beslissingen en daar ook op aanspreekbaar. Vormde vroeger het personeel van een fabriek de anonieme massa, nu is het de top van een organisatie. Laten we in 2013 eens heel 3.0 doen en iedereen als gelijke behandelen. Zonder angst te hoeven hebben je naam onder je mening te zetten. En met het lef je naam onder een besluit te zetten.

NS geeft daarbij alvast het goede voorbeeld. Het beltegoed van het personeel dat eind 2012 plotseling was geblokkeerd, zodat donaties aan de Stichting Roparun – waaraan veel NS’ers deelnemen – niet mogelijk waren, is na precies 55 minuten in het nieuwe jaar weer – foutje opgelost – vrijgegeven. Jammer dat al het tegoed om middernacht vervallen is, maar toch een teken van goede wil. Hoop ik, maar dat zal de Stichting Roparun beslist laten weten als de hoogte van het bedrag dat zij alsnog mogen ontvangen, bekend gemaakt zal worden.

En passant is in 2012 de wereld ook nog even vergaan, de antichrist is door supermama’s en journalisten tot op het bot door zijn eigen hel gesleurd zou ik haast beweren, en opnieuw begonnen. Voor wie dat laatste in de drukte rond Oud & Nieuw gemist heeft, heb ik een aantal beelden van het vergaan en wederopstaan in het volgende filmpje vastgelegd.

.

Kort 2012:

Zes worden, zelfs zeilbroers kunnen dat.
O, zes wóórden. Hoeveel nog? Eén?
Glad ijs, is dat sterk water?
Kluun? Sorry zeilbroertje, ik las kluns.
Ik heb aan één woord genoeg:
Tango, whisky, alpha, alpha, Lima, foxtrot.
Horrorwinter 2012, u aangeboden door NS.
Twee jaar later, volgden zij Kollektief.
Ik denk niet, mag dus blijven.
Ik denk, wat mijn baas denkt.
Mijn baas denkt, dat hij denkt.
Ik denk, denkt hij, dus besta.
Wat denk jij daar nu van?
O, let maar niet op mij.
Wereld haalt adem; Pinguin op zuidpool.
Laatste keer: Maya is een bij!
.
.
2012, de schaterlach sterft. Machinist vermoord.
2012, de schaterlach sterft.
Machinist vermoord.
I.M.
.

Op de valreep…

Altijd veel te druk, dus altijd haast en met – ook nog eens? Jawel! – een nachtdienst in het verschiet: De Op de Valreep-blog 2012. Het is natuurlijk onmogelijk alles wat in 2012 is blijven liggen, nu nog te verwerken. Zeker niet als het restant 2011 als een vis in een Chinees aquarium op ruit blijft slaan en het vat beton 2010 door tegenstribbelende bewegingen van de inhoud maar niet wil drogen.

So… ff kwik:

 

Aan de Nightwriters: de winnende verhalen-in-zes-woorden van 2012.

Op de valreep, Mulisch voor ‘tonweer:

Dat waren er geen zes, Diederik!

Delilah: Je denkt weer met je ….

Eén leugen verkeerd? De andere regeert.

Het verstand komt met de haren.

Musical 2013: knippen helpt niet meer.

Hoezo tijdslimiet? Harry toch ook? En wat dan nog? Ach barst toch, komt helemaal geen vrouw bij die dokter…

treedt uit de schaduw

2013 treedt uit de schaduw van 2012…

Vijftig Tinten:

 tweet jeepech

 

 

brug 

Reinaprinsengeerlings jezelf Kluun, ik ben nooit te laat.

 

NS in zes, vijf voor NS:     #NSin6

Railmail: …small step for NS men…     #NSin6

…a giant leap for NS kind.   #NSin6

Eerste geplande werkzaamheden in 2013: Roparun..!    #NSin6

Bij elkaar: rails, communicatie en snelheid.    #NSin6

Iedereen gelijk, iedereen spoort, iedereeNS…     #NSin6

.

Verdorie, op de valreep nog de allerlaatste trein van 2012 missen….

Samson en Rutte voor de knipbeurt

Samson en Rutte vóór de knip..

Vangrail.

Vangrail, een levensredder voor automobilisten die uit de bocht vliegen. En een levensredder voor treinpersoneel dat het juiste spoor dreigt te verlaten.

Een conducteur die met een fietsketting wordt bewerkt en zwaar gewond raakt. Ook zijn collega die het zag gebeuren maar de slagen niet op tijd kon stoppen. Een rondzwaaiende fietsketting stop je niet met blote handen.

De machinist die iemand doodrijdt. Meestal blijft een slachtoffer naamloos. Dat valt nog te verwerken. Een meisje van vijftien dat zelf voor de dood gekozen heeft, heel wat moeilijker. Een meisje van vijftien dat door pesters de dood in is gejaagd, onverteerbaar. Haar levensverhaal, dat ze in de vorm van een gedicht achterlaat, brandt letter na letter diepe wonden in zijn ziel. Wonden die nooit meer zullen genezen. Alleen door het gedicht op zijn brandende huid te laten lezen, verzacht hij enigszins de pijn.

De machinist staat niet meer stevig op zijn benen. Hij slingert tussen de rails. Dreigt te ontsporen. Alle mogelijke professionele hulp staat klaar, maar die wijst hij af. Hoe zullen zij ooit zijn gevoelens begrijpen? Wie kan meevoelen met iets dat zo veel pijn doet en tegelijk zo onaanraakbaar is, dat je het niet eens kunt beschrijven? De Vangrail.

Stilte. Meestal ongemakkelijk, werkt nu bevrijdend. Er wordt geen woord gesproken. Er zijn niet eens woorden voor. Begrip heeft de plaats van taal ingenomen. De machinist zit bij iemand die iets soortgelijks heeft meegemaakt. Die dezelfde pijn heeft gevoeld. Die de pijn heeft weten te stoppen. Of ten minste onder controle heeft.

Uit de stilte ontstaat ruimte. Als een tweede harde schijf neemt de Vangrail een deel van de besturing over. De machinist hoeft zich even niet bezig te houden met de besturing van armen of benen. Trillen of rillen is toegestaan. Wordt hier niet vreemd gevonden.

Heel langzaam keert de taal terug. Een nieuw begin. Geen ‘papa’ of ‘mama’ dit keer, maar ‘wat als’, ‘hoe kan’, ‘waarom’, ‘heb ik’, ‘toch’. Steeds gemakkelijker braakt de machinist ze uit. ‘Laat ze maar gaan,’ gebaart de Vangrail. ‘Raak ze maar kwijt. Geef ze maar over.’

Als laatste komt het gedicht naar boven. Even verstikt het de machinist. Dan valt het verlossende woord: ‘Schuldig.’ Een oer-reactie. Een machinist legt de schuld niet bij een ander. Nooit. Dat weet de Vangrail maar al te goed. Wij zijn gewend bij alles een dader en een slachtoffer aan te wijzen. Een dodelijke aanrijding met twee slachtoffers zonder dader, bestaat niet. De Vangrail zal nu het tegendeel moeten bewijzen.

Langzaam krabbelt de machinist overeind. Hij heeft de oorzaken van de zelfdoding onderzocht, heeft de plaats waar het slachtoffer rust bezocht en begrijpt het metrum van het gedicht. Is het er niet mee eens, maar kan het volgen. Op bescheiden wijze probeert hij zijn bijdrage te leveren aan de strijd tegen pesten. Hij hoopt op die manier in ieder geval één leven te redden. De balans recht te trekken.

De gesprekken met de Vangrail krijgen en ander karakter. Ze worden gemoedelijker, gaan niet langer over aanrijdingen, dood en verderf, maar over hobby’s, politiek en zelfs de trein. De machinist begint zich te vervelen in zijn achtertuin.

‘Weet je nog…’ Zo begint hij elk verhaal over de tijd die ze samen hebben meegemaakt maar die de jongere generatie zich niet voor kan stellen. Goederen-treinen met vijftig bakken, urenlang kaarten in een onbewoonbaar hok terwijl de trein werd geladen.

‘Ik heb mijn teammanager gebeld. Ik houd het thuis niet langer uit, ik snak naar een ander uitzicht, de cadans van de wielen.’ De machinist lacht breeduit. De Vangrail is opgelucht. Ook voor hem was het een hel. Hij kan slechts hulp bieden vanuit zijn eigen verleden. Het verwerken van een niet zelfverkozen dood van een piepjonge vrouw die nog volop in ontwikkeling was, daarin schiet zijn ervaring – goddank – tekort.

De teammanager van de Vangrail feliciteert hem uitbundig. Een haast onmogelijke klus geklaard. ‘Denk je dat hij er echt aan toe is?’

De Vangrail knikt met zijn hoofd, maar het woord ‘absoluut’ blijft als een aardappel steken in zijn keel. ‘Hij heeft er echt weer zin in. We hebben dagenlang gepraat over de mooie kanten van het vak, de schitterende ritten en de tijden dat we nog als vogels zo vrij over het spoor denderden. Hij mist het enorm.’ De Vangrail kan niet verklaren waar de scheurtjes in zijn metalen stem vandaan komen.

‘Het liefste was hij vandaag naar Zandvoort gereden om een uurtje over het strand te wandelen. Hij vindt het jammer dat die rechtstreekse lijn verdwenen is. Ik vroeg hem wat hij op de terugweg wilde doen. Toen vertelde hij heel enthousiast over zijn toekomstplannen. Hij wil een netwerk opzetten als dat van Luisteris. Op scholen voorlichting geven over pesten en wat de gevolgen kunnen zijn. Hij heeft het helemaal uitgewerkt en het klinkt heel goed. Weet je hoeveel BN’ers hij al heeft weten te strikken om…’

De abrupte stilte echoot nog door de kamer als de telefoon gaat. De machinist is al bijna een uur te laat en telefonisch onbereikbaar…

Het hart van de Vangrail bonkt bijna uit zijn borstkas. Flarden van de gesprekken met de machinist spoken door zijn hoofd. Stukken verleden, helder als glas. Nostalgisch. Aangenaam. Onsamenhangende delen van de toekomst. Plannen. Te scherp. Te ver uitgewerkt. Euforisch. Waar is het heden? De Vangrail zoekt en speurt, maar vindt geen enkele verband tussen verleden en toekomst. Alsof de machinist zijn trein al lang geleden opgeheven heeft. Zich op dit moment in een niemandsland bevindt…

De volgende dag wordt de machinist op het strand van Zandvoort gevonden. Verdronken, al minstens vierentwintig uur dood. De Vangrail braakt tot hij geen adem meer kan halen.

 

*

 

Is de Vangrail schuldig? Had hij dit drama kunnen voorkomen? Kun je zelfdoding überhaupt aan zien komen? Het kijken door de ogen van iemand die besloten heeft zichzelf van het leven te beroven is ontzettend moeilijk, hoewel niet helemaal onmogelijk.

Tim en Fleur waren intens gelukkig op het moment dat ze stierven. Een stelling die ik later zal verdedigen. Een geluk dat van ze afstraalde tussen het moment dat ze hun beslissing namen en het werkelijke einde. Dat kan enkele uren zijn geweest, maar ik denk meer in dagen. In die ‘gestolen tijd’, de tijd tussen het besluit de pijn voorgoed weg te nemen en de daarvoor benodigde actie, hebben beide signalen afgegeven.

‘Maar ze had net een nieuwe baan.’

‘Het ging net zo goed met hem, hij lachte voor de eerste keer sinds zijn vriendin hem verliet.’

‘Hij kwam een koffer halen en een paar kleren, hij was zo blij dat hij voor zijn nieuwe baas meteen naar New York mocht.’

‘We hebben gisteren haar verjaardag nog gevierd, ze straalde, zei dat ze gelukkig was.’

Bovenstaande regels verzin ik hier ter plekke, maar ouders van kinderen of jongeren die hun eigen einde kozen zullen ze herkennen. Nu wel. Ze vragen zich nog altijd af waarom toen niet.

Als ouders het niet zien. Als professionele hulpverleners het niet zien. Als vrienden het niet zien. Als collega’s het niet zien. Als ervoor getrainde collega’s het niet zien. Kun je dan de Vangrail verwijten dat hij schuldig is aan de dood van de machinist? Is het redelijk te stellen dat hij door zijn onkunde, zelfoverschatting, de dood van de machinist op zijn geweten heeft?

 .

 

Hoe haal je het dan in je hoofd om op blogs, op publieke fora, zelfs in landelijke dagbladen iemand ervan te beschuldigen kinderen de dood te hebben ingejaagd. Zelf nog bijna een kind. Een gepest kind. Een kind dat andere gepeste kinderen wilde helpen. Een kind dat niet zag wat de volwassenen in zijn omgeving ook niet zagen, hoe visionair die zichzelf achteraf ook noemden. Een jongen die een droom had. Een jongeman die goddank nog steeds een droom heeft. Een droom die ik uit wil zien komen….

 .

 Laat hem met rust!

.

.

Jullie haat, gefundeerd of niet, heeft de gedachte aan Tim en Fleur volledig weggevaagd. Aandacht waar de ouders van Tim om gesmeekt hebben. Want daar ging het allemaal om: pesten. Hij heeft het geprobeerd, jullie niet. Als hij schuldig is, ben ik het ook. Laat de beesten zich dan maar tot mij richten.

.

.

 

 

Gebroken belofte

13

13

. . .

 

Kunduz-politici: garantie dat er vrede komt.

.
Kunduz-politici: garantie dat er vrede is.

Kunduz-politici: garantie dat vrede er is.

Kunduz-politici: garantie dat vrede ver is.

Kunduz-politici: garantie dat vreten ver is.

Kunduz-politici: garantie dat eten ver is

Voedselbank: garantie dat eten ver is.

.

Opstapje blijkt nodig

Opstapje blijkt nodig

Voedselbank: garantie dat eten er is.

Voedselbank: garantie dat er eten is.

Voedselbank: zekerheid dat er eten is.

Voedselbank: zekerheid dat er gegeten is.

Voedselbank: zekerheid dat er gegeten wordt.

Bankenfeestje: zekerheid dat er gegeten wordt.

.

Bank en feestje

Bank en feestje

Bankenfeestje: zekerheid dat er gevreten wordt.

Bankenfeestje: zekerheid dat er gevreten is.

Bankenfeestje: zekerheid dat er discretie is.

Bankenfeestje: gegarandeerd dat er discretie is.

Bankenfeestje: dat discretie er gegarandeerd is.

Torenkamertje: dat discretie er gegarandeerd is.

.

Torenkamertje: dat belofte er gegarandeerd is.

Torenkamertje

Torenkamertje

Torenkamertje: de belofte er gegarandeerd is.

Torenkamertje: de belofte er gedaan is.

Torenkamertje: de belofte er gedaan wordt.

Torenkamertje: de belofte er gebroken wordt.

Zorg: de belofte er gebroken wordt.

.

Zorg: dat belofte er gebroken wordt.

Schip voor zorg

Schip voor zorg

Zorg: dat gebroken er belofte wordt.

Zorg: dat vrede er belofte wordt.

Zorg: dat vrede om belofte wordt.

Zorg: dat strijd om belofte wordt.

Wapenhandel: dat strijd om belofte wordt.

.

Schild

Schild

Wapenhandel: dat strijd om belofte komt.

Wapenhandel: dat strijd om vrede komt.

Wapenhandel: dat garantie om vrede komt.

Wapenhandel: garantie dat om vrede komt.

Wapenhandel: garantie dat er vrede komt.

.

Kunduz-politici: Garantie dat er vrede komt.

.

.

Eindhoven voorbij

Eindhoven voorbij

Kundus

Kunduz

.

Spookrook en laag over de grond scherende lidwoorden

Spookrook en laag over de grond scherende lidwoorden

Felicitatiecolumn in de eerste Koppeling van 2013, door de redactie vergeten mij te vragen die te schrijven.

Bevroren Koppeling

Zeer geachte heer Meerstadt, Bert voor intimi,

Geachte heer Meerstadt, het is alweer vier jaar geleden dat ik als schrijvend machinist gevraagd werd een welkomstwoord tot u te richten in de Koppeling. Maar goed dat ik toen direct twee columns heb aangeleverd, want nu mag het niet meer. Ik hoor zelfs niet meer bij de scherpschutters van de oNS! Ik mag alleen nog woorden richten als twee of drie naamloze begeleiders de loop naar beneden gedrukt houden en ik geen woorden gebruik die op het taboe-lijstje van de censuur zijn geplaatst.

Nou, met laag over de grond scherende lidwoorden raak je geen enkel target en verliest een column – die toch vooral emotie wil oproepen of een reactie uitlokken – zijn doel. Ik heb echter goede hoop dat een en ander weer ten goede keert als we – zoals beloofd – gaan Leren van Fouten.

Toch vind ik het jammer dat al die oude Koppelingen op de digitale hogesnelheidslijn verloren zijn gegaan. Tja, wisselstroom in plaats van gelijkspanning, maar misschien bevindt zich onder uw bureau of achter een oud schilderij in uw werkkamer nog wel een geheime ruimte met daarin een doos met blauw-vergeeld papier.

Spookrook in Eindhoven

De eerste column die ik voor u schreef – Vroeger… geplaatst in Koppeling 1869, het laatste nummer van 2008 – is nostalgisch ouderwets; knisperen bij de gashaard met de Streets of Londen op de pick-up. (Knisperend geluid is eventueel ook op cd verkrijgbaar als een brandhaard u te veel aan spookrook in de Schipholtunnel doet denken.)

De tweede column – De Leidtoon uit Koppeling 1870, het eerste nummer van 2009 – is nog verassend actueel. De veranderende visie op het nut van bepaalde muzieknoten in een toonladder, gewaagd politiek ter discussie gesteld door Arnold Schönberg als vertegenwoordiger van de dodecafonie, choquerende beslissingen aan de top die tot briljante oplossingen kunnen leiden en diversiteit als noodzaak om het leiderschap op een positieve manier spannend te houden, zijn de onderwerpen die ik tot mijn eigen verbazing in zo’n V250 woorden heb weten te vangen.

Met de kennis van nu – en een vooruitziende blik – kun je gerust stellen dat deze column reeds in december 2008 voor de feestelijke première – helaas in afwezigheid van de schrijver van het stuk – in januari 2013 is gecomponeerd.

Beste meneer Meerstadt, bij dezen alvast van harte gefeliciteerd met nogmaals vier jaren als President-directeur van de Nederlandse Spoorwegen en mijn aanbod in de laatste regel van De Leidtoon staat nog steeds, geen censurist die zo dicht bij dat vuur durft te komen.

Spoor 18a in Eindhiven

Met vriendelijke groet,

Geert König

Masjinist

PS. Hoe managet u het toch om elke minuut van de dag een machinist zo dicht op uw huid te voelen dat u hem in- en uitademt en tegelijk zo veel afstand tot het vak te bewaren?

Mocht het oud papier toevallig toch per ongeluk gewist zijn, dan kunnen vuur en machinist u wel aan een geheime link helpen. Dat laatste blijft – hoop ik van machinist tot machinist – natuurlijk wel tussen ons.

Tuin in Eindhoven

Zelfportret

 

voorspelling

My own private Idaho

Even stemmen op het station. Even en station, die woorden passen niet in één zin. Wie plaatst het stembureau dan ook bij de loketten? De rij slingert zich van de ID-controlerende bladerman naar het 18 Septemberplein, maakt vlak voor de uitgang een scherpe bocht en slaat tien meter verder linksaf de hal in, richting spoor 5 en 6. Komt goed uit, want ik ga naar Amsterdam en die trein komt toch op spoor 5. Eerst stemmen. Ik sluit achteraan in de rij en kan schuin omhoog mijn trein zien vertrekken. Geeft niet, ik heb bijna een uur speling.

Toch wordt het rennen. Ik wurm me tussen VVD en PvdD door, die verliefd elkaars hand vasthouden. Ik ren de trap op en haal nog net de intercity naar Schiphol. Even overstappen in Utrecht, dan ben ik om 19:35 uur in Amsterdam. Zeeën van tijd, het concert in het Muziekgebouw begint pas om 20:15 uur.

Tot Utrecht verloopt de reis voorspoeding. Dan begint de trein plotseling stevig te remmen. Twee seinen voor het station komt hij tot stilstand. Boven mij dreigt een donkere lucht, links naast mij ligt een kerkhof. Duidelijk, ik heb weer op de ‘winnende’ partij gestemd. Al snel klinkt de stem van de conducteur over de omroep.
‘Dames en heren, vanwege domme mensen op het spoor, lopen wij enige vertraging op. Er lopen dus reizigers op het spoor die eerst opgeruimd moeten worden.’
Vooral vanwege het woordje reizigers, gaat er een zucht door de trein. Spontaan omroepen blijft, zeker als je weinig informatie hebt, ontzettend moeilijk. Als je bij mij de tweede helft van de eerste zin achter de tweede helft van de tweede zet en de eerste helft vooraan, heb je meestal wel door dat ik ook niet weet wat er precies aan de hand is.

We trekken een stukje op, maar het is een valse start. Pas na vijftien minuten rijden we echt verder. Op mijn iPad kan ik echter precies zien welke trein zich waar bevindt. De trein die ik had willen halen, die van Nijmegen naar Amsterdam Centraal, is al weg. Maar de volgende trein uit Eindhoven zit nog achter ons, evenals de trein van Nijmegen naar Schiphol. Op het moment dat we vrijwel tegelijk Utrecht binnenlopen, vallen de vlakjes op mijn iPad over elkaar en zie ik niet meer wie naar welk spoor gaat. Een lichte paniek overvalt me als ik in de informatieschermen boven spoor 5 Schiphol zie staan. Ik sta op spoor 7 en op 5 had ik de trein naar Amsterdam Centraal verwacht, maar om nu nog te gaan zoeken…?

Ik blijf zitten en gok erop dat ik ook vanaf Bijlmer-ArenA nog op tijd het Muziekgebouw kan bereiken. Helaas, volgens 9292 niet. Amsterdam Zuid dan. Een úúr met de tram. Ik zie op mijn beeldscherm dezelfde aansluitingen als in Eindhoven en in vrijwel elke grote stad; als de trein aankomt, vertrekt de bus en andersom. Driemaal een kwartier vertraging, dat ga ik, ondanks een uur speling, niet meer redden. Ook niet via Schiphol, tenzij ik zou vliegen. Mijn stem in de Tweede Kamer moet wel heel zwaar wegen, nu ik er een concert van musikFabrik voor ga missen.

Te Schiphol wacht ik op de trein naar Amsterdam. Vanaf het perron kijk ik naar de rails. Het zwarte beton ziet er schoner uit dan het halletje bij mij thuis. Er ligt een enkel peukje – één is al smerig genoeg – en een paar snoeppapiertjes. Ongeveer één stukje vuil per 25 meter. Stof ligt er niet, laat staan dat het opwaait. Zouden ze een railstofzuiger hebben in deze tunnel? Waar het stof vandaan komt dat machinisten voor rook aanzien, is me een raadsel.

De Fyra doet ook geen stof opwaaien. De trein wordt bevolkt door een handjevol mensen. In de laatste vier ruituigen, van de zes, bevindt zich één persoon. Het lijkt een spooktrein. Buitenlandse reizigers met koffers aarzelen, maar stappen niet in. Je zou verwachten dat hier met toeters en bellen en veel fanfare mensen de trein in worden gelokt. Welkom in Nederland, welkom in de Fyra. Als u dit eenmaal geproefd hebt, wilt u niets anders meer. Maar de trein vertrekt klagend, nog leger dan hij Schiphol bereikte. Ik vraag me af of hij de tunnel wel ooit uitkomt. Of rijdt deze trein à la The Matrix direct aan de andere kant de tunnel weer binnen, eeuwig speeding in het duister? Ook ik blijf wachten op het perron.

Een vrouw met een hoofddoek vraagt me of dit de trein naar Sloterdijk is. Ik moet het haar een paar keer laten herhalen voor ik het versta, maar knik dan bevestigend, hoewel ik vandaag in burger ben. Ik stap de trein binnen, keurig tweedeklas. Op het balkon staat een kast open. Terwijl de deuren sluiten, pak ik mijn sleutel en draai de kast dicht. Reizigers op het balkon houden me nauwlettend in de gaten. Ik loop snel door. Geen zin om me nu als machinist kenbaar te maken. Niet tussen al die Amsterdammers. Stel dat er een spitsreiziger tussen zit.

Ik wandel op mijn gemak wat over Amsterdam Centraal, kijk naar de werkzaamheden. Buiten het Grand Café zit iemand op de grond gehurkt. Hij maakt foto’s van een man die gekleed gaat in een chic pak, compleet met wandelstok en bolhoed. Op het moment dat de fotograaf knipt, houdt de man een masker voor zijn gezicht. Een wit, glanzend masker met enkele dunne rode strepen. Ik zie een paar mensen schrikken en snel weglopen. Mannen die in het donker hun gezicht verbergen, dat betekent ellende. Ik kijk het even aan en besluit dat het geen terroristen of overvallers zijn. Het pak, de wandelstok en de bolhoed komen recht uit Stanley Kubrick’s Clockwork Orange, maar het masker klopt totaal niet. Ken je klassiekers of kies een ander vak.

Veel te vroeg ben ik op spoor 2b, maar de trein naar Maastricht staat er al. De informatieborden boven dit spoor, zijn wat ongelukkig geplaats. Om het heel zacht uit te drukken. Pal naast de achterkant van de trein op 2b, hangt het aanduidingsbord van 2a. De de trein die daar staat, helemaal aan de andere kant van het perron, vertrekt over enkele minuten richting Dordrecht. Mensen die via de stationshal de trap oplopen, komen goed uit. Maar kom je uit de tram of metro, dat sta je verkeerd. Aan de andere kant is het precies andersom. Vlak voordat de trein naar Dordrecht vertrekt, valt er een horde reizigers naar buiten die mijn kant op rent.

Het wordt nog leuker. Opnieuw verschijnt er in het informatiescherm boven mij een trein naar Dordrecht. Vertrektijd 21:12 uur, terwijl de trein naar Utrecht en Maastricht op 2b al om 21:08 uur gaat rijden. Je kunt op je klompen – of veiligheidsschoenen – aanvoelen dat reizigers naar Dordrecht in de trein naar Maastricht stappen. Ik hang wat over de betonnen rand van de trap en kijk het rustig aan. Niemand ziet dat ik iets met het spoor te maken heb. Eigen initiatief wordt toch niet gewaardeerd en bezorgt me bovendien al werk genoeg. Veel meer dan ik aan kan. Waarom zou ik me met deze onbekende reizigers bemoeien?

Dan verschijnt er een wat oudere dame bij de deur met een strak ingepakt boodschappenwagentje, een alles op elkaar afgestemd pakje, haar op een knotje. Ze wordt gevolgd door een groep meisjes van een jaar of achttien, negentien, stuk voor stuk met een koffer op wieltjes. Met handgebaren probeert de vrouw de – waarschijnlijk – studentes iets duidelijk te maken. Ik kijk naar de mouwen van mijn jasje en zie dat het blauwe bloed dat door mijn aderen stroomt de witte kleur verdrongen heeft. Opeens heb je het, hoe je er weer van afkomt, vertellen ze er niet bij. Alsof ik ze in complete klederdracht nader, draait de vrouw zich naar mij toe, terwijl de studentes hun ogen op mij richten.
‘Ze willen naar Dordrecht maar ik kan dat niet zo goed in het Engels uitleggen.’

Geen minuut later sta ik de mensen van rechts naar links door te wijzen en niet andersom. Reizigers richting Dordrecht zetten stevig de pas erin en mensen die al in de trein zitten komen licht twijfelend vragen of deze wel naar Utrecht gaat. Ik kan nog net op tijd zelf naar binnen springen als de conducteur de deuren sluit. Zonder mij vertrekt hij niet, mijn motto, gaat dit keer niet op.

Hoewel ik nu toch weer volkomen anoniem achter in de trein zit, draait de man op de bank voor mij zich aarzelend om.
‘Gaat deze trein naar Utrecht? Ik had eigenlijk naar Rotterdam gemoeten.’
‘Deze trein gaat inderdaad naar Utrecht en Eindhoven, die naar Rotterdam stond aan de andere kant langs het perron.’
‘Ja, maar die borden…’
‘Ja, die hangen heel ongelukkig, dat is bekend.’
‘O, dat is bekend?’ Er valt een korte stilte.

‘Ik denk dat het tot na de verbouwing wel zo zal blijven.’ Ik realiseer me dat Tot na de verbouwing in Amsterdam net zoiets betekent als Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen in het zuiden. Ik kan me in vijfentwintig jaar niet herinneren het station in Amsterdam ooit een dag zonder werkzaamheden te hebben gezien. Een jongeman schuin tegenover me, heeft het gesprek gelukkig gevolgd en op zijn iPhone al een oplossing gevonden.
‘In Amstel even overstappen op spoor 4,’ lacht hij vriendelijk. En een heel klein beetje trots dat hij die informatie eerder heeft gevonden dan ik. Beide mannen stappen hier uit. Op die in de cabine na, zit ik op de laatste stoel van de trein. Maar ik voel me helemaal op mijn plaats.

Pas als ik in Eindhoven naar de auto loop, voel ik lood door mijn tenen omhoog kruipen. Ik ben moe, doodmoe. Gelukkig is het maar een klein stukje naar huis. Een goederentrein, bestaande uit slechts de locomotief, passeert de laatste overweg op mijn route. Schurend langs de rails, lijkt het alsof hij hardop lacht. Uit de radio klinkt de stem van Liesbeth List:
‘Amsterdam, vijfentwintig december negentien drieënnegentig. Lieve Mia. Terwijl de mensen hier feestvieren, denk ik aan jou.’

 Een afscheid was er niet, je bent eigenlijk nooit weggegaan. Kom, praat met mij. Kom, lach naar mij…

Mijn ogen worden een ogenblik vochtig; ik wil dit lied helemaal afluisteren. In de verte zie ik de laatste bocht in de weg voordat ik thuis ben. Ik wil niet dichterbij komen. In de spiegel wordt de rechte weg achter me steeds langer. Ik open mijn rechterhand in de vorm van een schaar en houd hem voor mijn ogen.
‘Like someone’s face.’
‘Ja,’ zeg ik zonder om te kijken tegen de jongen naast me. ‘Like a fucked-up face.’