Meeloper

Dwingeloo

Nacht. Stil en donker op de Dwingeloose hei. Acht jongens van twaalf en dertien jaar oud ademden zachtjes in kleine, met stapelbedden gevulde ruimte. Niemand sliep. Na twee dagen van gedwongen rust – in Dwingeloo leefde men nog aan de hand van zware, zwarte bijbels – hing er een spanning tussen de bedden die wel tot een ontlading moest komen. Zes jongens maakten zich op voor een kussengevecht. Geen eerlijk gevecht, maar alleen tegen een. Twee jongens hoopten, baden met hart en ziel dat zij niet het doelwit van deze razernij zouden worden.

Het lot viel op Remco. Een kleine jongen – net als ik – met een uitgesproken Gronings accent. Dat moet de voornamelijk uit de Randstad afkomstige jongens net zo vreemd in de oren geklonken hebben als mijn zachte Brabantse G. Als buitenbeentjes binnen de groep waren we de laatste twee dagen steeds bij elkaar in de buurt gebleven. De jager aast immers vooral op een prooi die alleen is.

De volgende ochtend werd onze groep door de kampleiding bijeen geroepen. Remco was naar huis, zijn ouders waren hem komen halen. Wat was er gebeurd, hoe was het mogelijk dat de hele groep zich tegen die kleine, wat verlegen jongen uit Groningen keerde? Ik kon me gelukkig afzijdig houden. Ik had hem in de steek gelaten maar toch had Remco mij nog zijn enige vriend op het kamp genoemd.

Twee jaar later kwam ik bij een jongen in de klas die ook opviel. Hij was groot, sterk en ronduit lomp. Niet in zijn manier van praten, maar in zijn beweging. We stonden dan ook altijd gelaten naast elkaar bij de gymles te wachten wie er gekozen zou worden in een groep en wie er toegewezen moest worden.

Ik sprak Marcel weleens in de pauze en omdat we dezelfde kant op moesten, fietste ik geregeld een stukje met hem mee. Bij hem thuis ben ik nooit geweest. Hij liet niemand binnen omdat zijn vader blind was en hij het huishouden moest doen.

Laat op een woensdagmiddag zaten we in een geschiedenisles op de bovenste verdieping van de school, toen Marcel plotseling stil leek te vallen. Hij bewoog niet meer en staarde naar een punt in de verte. Een straaltje speeksel stroomde uit zijn rechter mondhoek, over zijn kin op zijn zwarte trui.
‘Alles goed Marcel?’ vroeg de geschiedenisleraar bezorgd.

Alsof een onzichtbare vinger hem een zetje gaf, werd Marcel weer een mens. Hij trok de zwarte trui die hij droeg over zijn hoofd, zodat hij in een geel T-shirt in de bank kwam te zitten, zuchtte een keer overdreven alsof hij van een grote last verlost was en nam een houding aan dat wat hem betreft de les gewoon verder kon gaan. Niet veel later zou blijken dat Marcel net een milde aanval van epilepsie had gehad.

Nederlands werd gegeven door een leraar die heel populair was bij de leerlingen. Dat wil zeggen: hij was vaak ziek. Meneer Van der Loo zat achter een bureau op een verhoging midden voor de klas toen Marcel plotseling voor zijn neus opstond, zijn tas inpakte en het leslokaal verliet. Het verbaasde iedereen, maar niemand die Marcel iets vroeg.

‘Zien jullie hoe moeilijk die jongen het heeft?’ Het moeten zo ongeveer de laatste woorden zijn geweest die de leraar Nederlands dat schooljaar heeft gesproken. Het was pas oktober.

Ja, wij zagen hoe moeilijk die jongen het had. Dat wil zeggen; wij zagen nu hoe moeilijk die jongen het had. De hele klas was plotseling tot besef gekomen hoe moeilijk Marcel het had en al die tijd al had gehad.

Enkele weken later, aan het eind van de pauze, werd Marcel vlak voor het klaslokaal door een jongen uit een andere klas aangevallen. Heel even rolden ze samen over de grond. Hoewel die andere jongen bij een populair groepje aandachttrekkers hoorde, klonk uit de massa een meisjesstem: ‘Kom op Marcel!’

De vreemdeling die merkte dat hij zijn publiek kwijt was, maakte zich uit de voeten. Een klein druppeltje felrood bloed op het gele T-shirt van Marcel gaf hem een minuut of twee een sterstatus. Een kleine gebeurtenis die ik me dertig jaar na dato nog als de dag van vandaag herinner.

Meneer Van der Loo is nooit meer op school terug gekomen, Marcel kreeg zoveel last van epileptische aanvallen dat hij al snel geen lessen meer kon volgen aan het reguliere onderwijs. Eén klasgenoot is hem nog een keer gaan opzoeken in het instituut waar hij nu verbleef. Hij haatte de lange pauzes. Die klasgenoot was niet ik, en hoewel het nooit te laat is, heb ik daar nog altijd spijt van.

Pas nu besef ik dat ik in al deze gebeurtenissen tot de meelopers heb behoord. Ik heb nooit iemand aangevallen of uitgescholden om erbij te horen, maar ik heb ook nooit een vinger uitgestoken om te helpen. En als ik in de afgelopen vier maanden één ding geleerd heb, dan is het dat passief toekijken bij een slachtoffer moeilijker te genezen wonden slaat dan de snijdende pijn van het pesten of schelden zelf.

De slachtoffers van pesten valt niets te verwijten, maar het zijn ook niet de pestkoppen die het ergste leed veroorzaken. Nee, wij zijn het, toeschouwers en zwijgers, die de genadeklap uitdelen. Wij meelopers zijn als enige verantwoordelijk voor het in stand houden van een cultuur waarin pesten levens van kinderen en volwassenen kan verwoesten.

De namen die ik in dit verhaal noem zijn niet verzonnen. Ze horen ook in werkelijkheid bij de beschreven personen. De enige die er zijn echte naam niet mee durft te verbinden, dat is de auteur.

Jan-Kees

PERSBERICHT: JEFFREY ARENZ – GEPEST! 20 APRIL, VILLA2B, ARNHEM.

Nog maar een maand geleden gaf slachtoffer van pesten Jeffrey Arenz een try-out van zijn voorstelling ‘Gepest!’ – door hemzelf steevast ‘show’ genoemd – in Villa2B, Arnhem. Het werd veel meer dan een voorstelling. Veel meer dan hij zelf besefte, gunde Jeffrey de toeschouwer een blik in de toekomst van mensen die als kind gepest zijn.

De avond begon gemoedelijk, als een soort lotgenotencontact. Na even zoeken had Jeffrey zijn draai gevonden en het interactieve spel met de zaal leek hem aangeboren. In tegenstelling tot wat het serieuze onderwerp deed vermoeden, werd het een theateravond vol herkenning en humor waaraan de zaal luidkeels meedeed.

Gaandeweg de voorstelling kwam de diepere grond onder deze zelf-beschermende humor echter steeds pijnlijker bloot te liggen. Pest-slachtoffers voor wie ook de moderne psychiatrie niets meer kon betekenen deden hun verhaal. Op dit punt kreeg Jeffrey in al zijn koppigheid gelijk en veranderde zijn voorstelling in een show. Een waanzinnige, wervelende kolk de diepte in.

Een show die voor een buitenstaander met geen pen te beschrijven is. Een show waarin zichtbaar wordt gemaakt hoe klein de wereld van een slachtoffer van pesten wordt en hoe moeilijk het is – zeg gerust: onmogelijk – daaraan op latere leeftijd te ontsnappen. Een show die voor eens en altijd duidelijk maakt dat pesten niet alleen een kind beschadigt, maar ook de volwassene tot wie het uit had moeten groeien in de kiem smoort.

Een show die zo confronterend, keihard, choquerend en realistisch is, en die tegelijk zo broos, teder en ontroerend kan zijn, zou op alle scholen verplicht in het lespakket opgenomen moeten worden. Misschien is de boodschap kil en ontnuchterend: pesten slaat wonden waarvan de littekens nooit helen, maar als Jeffrey met zijn zeer persoonlijk onthullingen kan voorkomen dat een kind slachtoffer van pesten wordt, redt hij daarmee niet één kind, maar misschien wel en hele generatie.


Een show die te belangrijk is om te missen. Voor iedereen die gepest is, gepest wordt en voor de enkeling die niet toekijkt maar een helpende hand biedt. Dit seizoen alleen nog te zien op 20 april bij Villa2B in Arnhem. Kaarten zijn te verkrijgen via Jeffrey-Arenz.nl en telefonisch te reserveren via 084-0034910.

Jeffrey Arenz – GEPEST!

GepestJeffrey Arenz; als kind op school gepest, actie ondernomen, stichting opgericht, opnieuw gepest, bloedend op straat achtergelaten. Zo trof ik hem eind 2012, na een optreden bij Pauw en Witteman, aan.

Nog geen drie maanden later, op 8 maart 2012, verliet hij met opgeheven hoofd het gelijkvloerse podium van Villa2b in Arnhem. Zijn droom, een eigen theatershow over pesten, was zojuist werkelijkheid geworden.

Of liever: had hij zojuist waar gemaakt. Aanvankelijk zou hij namelijk eenmalig optreden in Theater Markant te Uden. Daar bleek zijn programma nog niet helemaal af, en werd het een seizoen verschoven.

Maar geen depressieve Jeffrey die avond op Facebook, integendeel. Binnen enkele uren tijd had hij een ander theater gevonden en bovendien de datum twee weken naar voren gehaald. Zijn verhaal moest eruit en stond op het punt geboren te worden.

En dan ontstaat er zo’n magisch moment dat tijd, ruimte en actie precies op het juiste moment en de juiste plaats samenkomen.

Wat overdonderd door het desoriënterende effect van de rook uit zijn eigen rookmachine en de blauwe LED verlichting, vroeg Jeffrey zich hevig geëmotioneerd af waarom niemand, echt niemand een hand had uitgestoken toen hij door zijn pesters de prikkelstruiken in was geduwd.

Jeffrey TheaterDie vraag, die niemand op dat moment aan had zien komen, zeker Jeffrey zelf niet, bepaalde voor een groot deel het karakter van de avond. De vraag: ‘Waarom?’ of: ‘Waarom ik?’ zit diep bij mensen die als kind gepest zijn.

Het werd een soort lotgenotenavond met mensen die door anderen hun leven hadden laten bepalen. Degene die gepest wordt gaat, als het pesten maar lang genoeg duurt, vanzelf geloven dat wat over hem of haar verteld wordt, waar is. De waarheid is.

De keiharde, cynische humor die in hun jeugd gepeste mensen daarbij onderling op elkaar afvuurden, moet een aantal bezoekers gechoqueerd hebben: dit doe je toch niemand aan als je het zelf ooit mee hebt moeten maken?

Jawel dus, waardoor tijdens de show live getoond werd wat gepest worden in je jeugd met de rest van je leven doet. Als je dat als toeschouwer beseft, zie je opeens een heel andere show.

En dan volgt automatisch de vraag: was dit een toevallige samenloop van omstandigheden of heeft Jeffrey de wereld werkelijk wat te vertellen. Ik heb mijn keuze allang gemaakt. Wie twijfelt, moet beslist een volgende editie van Gepest! gaan bekijken.

Gepest 1

Oude Meesters – Judaskus

meesters 1

 

Oude Meesters in het Parktheater op Valentijnsdag, 14 februari 2013. Eén brok nostalgie: De Engerd uit De Stratemakeropzeeshow en Sinterklaas.

Goed en kwaad, dat speelden beide grootmeesters van het Nederlandse toneel in Oude Meesters ook. Cynische, zelfingenomen, haatdragende broers die elkaar alleen nodig hebben om geld te verdienen.

Het stuk was de acteurs – soms letterlijk – op het lijf geschreven. Geen seconde werd het saai of vervelend. De auteur heeft vooraf heel goed de kleinste gebaartjes van zijn spelers bestudeerd en in zijn stuk ingepast.

Anderhalf uur vermaak waarbij yin en yang in elkaar overliepen maar nooit van kleur wisselen. Als fractals vormden de deeltjes zwart en wit figuurtjes maar alleen als je even je ogen samenkneep werd het grijs. Voortdurend bleef de angel van zwart verankerd in de huid van wit en behield wit een enclave in het zwarte hart.

Mooi Valentijns-toneel hoewel het stuk de diepgang had van een stoomboot in een opgedroogd Pierebadjeopzee en heel misschien hadden deze mastodonten daarom net een tikje beter script verdiend.

meesters 2 buigen

 

JUDASKUS

.

Haat hem,

Of houd van hem.

 .

Bijt hem,

Of lik hem.

Kus hem,

Of omarm hem.

.

meesters 3 af

Het stuk deed me sterk denken aan Rocco – A Dark Full Ride van Emio Greco dat ik eerder dit seizoen in het Parktheater zag. Broederliefde, inclusief de onafscheidbare broederhaat, werd daar gedanst als een bokswedstrijd. Ballet in de ring met het publiek daar als beroepsgokkers omheen.

Greco boks 2Synchroon-boksen zou zo een Olympische sport kunnen worden en ik moet toefgeven dat ik – ondanks psychisch verzet – als een sportliefhebber in de wedstrijd werd meegezogen. Terwijl ik een bloedhekel heb aan sport op tv. Een wedstrijd vechtballet dan maar?

Tijdens de uitvoering van Rocco zag je de liefde uit de broederlijke haat/liefde-verhouding van kilometers ver aankomen. Vlak voor de bel van de Tweede Ronde kon een tongzoen met het ‘meisje’ dat snoep rondbracht niet uitblijven.

Dat lag in het geval van Joost Prinsen en Bram van der Vlugt natuurlijk wat ingewikkelder. Hoewel, ik weet niet of het de landelijke schandaalpers zal halen, het volgende is door beide Oude Meesters toegegeven: Sinterklaas heeft het zoenen in zijn jeugd mogen oefenen op de toen zevenjarige Erik Engerd.

Greco boks 3

Pay It Forward

payitforward

Haley Joel Osment in Pay It Forward

(Mompel)… bedankt en wat … nog gaan… (mompel) doen. Onder het voorbij lopen, waarbij hij me op zo min mogelijk plaatsen tracht te raken, duwt hij een klein papiertje in mijn hand, formaat visitekaartje. Rechts onder op het kaartje staan in een zwart kader drie woorden: Pay It Forward.

   Ik denk onmiddellijk aan de film die ik jaren geleden zag. Haley Joel Osment, die met zijn gekwelde blik en helder blauwe ogen zeker vijftig procent van de opbrengst van de film The Sixth Sense voor zijn rekening nam, was zwaar overcast voor deze productie, maar het principe van Pay It Forward werd er wereldwijd mee bekend:

  Bedank iemand niet achteraf voor wat hij voor zij voor je gedaan heeft, maar doe iets aardigs zonder er iets in ruil voor terug te vragen. Doe iets vooraf. Als iedereen dat doet komt er ooit een dag dat iemand hetzelfde voor jou doet.

   Een mooi principe zolang het niet commercieel uitgebuit wordt. In mijn geval twijfelachtig vanwege de commerciële organisatie die achter het kaartje zat, gelukkig niet vanwege de persoon die het mij gaf. Sterker nog, een groter compliment kon iemand die niet gewend was met complimenten te strooien iemand die niet gewend was ze in ontvangst te nemen bijna niet maken.

 PIF  ‘Je mag het niet weggooien hoor, je moet het doorgeven. Dat moet je me beloven,’ wierp de gulle gever me nog net toe voordat hij uit zicht verdween. En daar sta je dan met dat kaartje. Weggooien was precies wat ik in gedachte had, een verhaal zou ik er wel bij verzinnen. Wat kon zo’n kaartje nou helemaal doen? Als er al iets door gebeurde, moest het wel toeval zijn.

   En daar zat ‘m nou net de kneep. Ik heb de laatste jaren iets te veel toevalligheden gezien en beleefd om nog in toeval te geloven. Neem daarbij dat de gever me te dierbaar is om ook maar het kleinste risico te nemen een onsje van zijn geluk te verspillen door het kaartje weg te gooien en ik kon niet anders dan me overgeven aan het principe van Pay It Forward.

  Nu ken ik een hoofdconducteur bij de Nederlandse Spoorwegen – net als ik een uit de personeelsbladen verdreven columnist – die geld inzamelt voor een organisatie die zich inzet voor onderzoek naar kanker. Kleinschalig, waardoor er gegarandeerd geen geld aan de strijkstok blijft hangen. Hij leek me een prima Pay It Forward-object en ik stak het kaartje bij mijn papieren om het in het geval ik hem ooit zou treffen, iets dat tot dan toe een zeldzaamheid was, hem te kunnen overhandigen. Dat kon wat mij betreft nog manden duren.

  Ik had het kaartje echter nog geen 24 uur in mijn bezit, toen deze conducteur op het eerste het beste station waar ik de volgende dag mijn trein moest keren, voor mijn neus stond.
‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik heb geen portofoon bij me want ik zou eigenlijk dienst hebben in Heerlen en helemaal niet op deze trein zitten.’

  Toeval bestaat inderdaad niet. Nu moest ik het ijzer smeden terwijl het heet was.

 Om mijn vingers niet direct te branden besloot ik dat smeden uit te stellen tot het keerpunt in Roermond. Ik had degene de het kaartje aan mij gegeven had ondertussen al diverse malen hartgrondig vervloekt omdat ik niet wist wat ik moest gaan zeggen. Maar één ding was zeker: ik ging het kaartje overhandigen.

   ‘Hallo, ik ben Geert.’

   Ik ging er blindelings vanuit dat hij me als mede-dissident binnen de spoororganisatie zou herkennen. En dat was ook zo. Na een paar zinnen heen en weer gekletst te hebben, overhandigde ik hem  het kaartje, waarbij ik liet blijken dat ik wist aan welk initiatief voor kankerbestrijding hij momenteel werkte. Enigszins verbaasd nam hij het kaartje van me aan terwijl ik me snel richting cabine bewoog.

  Nu is personeel dat zich door het management belaagd voelt over het algemeen niet zo heel erg actief op de trein, maar de wonderen zijn de wereld nog niet uit. In hoeverre Pay It Forward ermee te maken heeft, kan ik niet beoordelen, maar bij nadering van station Sittard klonk helder en kwiek de stem van de conducteur over de omroep, een stem die ik op de heenweg gemist had en die duidelijk aan kracht had gewonnen sinds onze korte conversatie buiten.

  Kippenvel op mijn armen, een rilling over mijn rug en tranen in mijn ogen. Pay It Forward. Hoe bedenk je zoiets?

  Achteraf is die reactie natuurlijk niet zo vreemd. De nog maar net volwassen jongeman van wie ik het kaartje kreeg, is precies degene die ik als kind wilde zijn: iemand die er alles aan doet zijn droom op een carrière in het theater waar te maken. Een droom die ikzelf veel te vroeg opgegeven heb, maar die de laatste tijd steeds vaker terugkeert. En de zestiger aan wie ik het kaartje doorgaf, staat model voor de man met principes die tegen de verdrukking vasthoudt aan zijn normen en waarden, die ik ooit hoop te worden.

  Heb ik het kaartje dan van mezelf ontvangen en aan mezelf doorgegeven? Dat zou – ondanks het feit dat ik dan drie gedaantes had moeten aannemen – wel heel narcistisch zijn. Harry Jekkers verwoordt het in ‘Mijn Ikken’ veel mooier. Bovendien eindig ik daarmee weer in mijn geliefde Theater:

Je bent die jongen met die rood-oranje vlieger,
Die af en toe nog blij is als het sneeuwt.
Je bent die jongen met lang haar,
Van twintig jaar, met een gitaar,
Die af en toe nog weleens over onrecht schreeuwt.

En soms ben je die jongen weer van dertig,
Van: “Ik weet niet, misschien, bekijk het maar”.
Je bent een dromer, drammer, twijfelaar,
Een ik van veertig jaar,
die nog geen ikje is vergeten,
En nog vaak van ons wil weten,
Maak ik jullie af en toe nog wel eens waar.

 

Met heel veel dank aan beide heren voor en na mij. Ik had het niet willen missen.

 

Einstein

Een weekje Amsterdam, met als hoogtepunt een live-uitvoering van Einstein on the Beach. Dat had het moeten worden. Maar door het vele heen en weergeloop van grote aantallen mensen, verloor de hypnotiserende muziek van Philip Glass sterk aan kracht. Wat over bleven waren de knee plays. En een knieval heb ik deze week gemaakt…

Gemarkeerd - 01

Gemarkeerd - 02

Gemarkeerd - 12

Ja, geef God maar weer de schuld.
Gemarkeerd - 13

Gemarkeerd - 19

Gemarkeerd - 21

Gemarkeerd - 22

Gemarkeerd - 23

Gemarkeerd - 42

Gemarkeerd - 43

Gemarkeerd - 17

Ik ben God… en ik ben een vliegtuig.

Gemarkeerd - 18

Dag God. Dag vliegtuig.

Gemarkeerd - 11

Overal crisis behalve…

Gemarkeerd - 06

Gemarkeerd - 05

Gemarkeerd - 04

Laatste waarschuwing voor Amstelveen.Gemarkeerd - 03

23456

Zelfde foto…

Gemarkeerd - 09

Gemarkeerd - 08

Gemarkeerd - 07

Zelfportret, maar dan geschilderd door Leo Schwarz.
34567

Gemarkeerd - 33

Gemarkeerd - 32

Gemarkeerd - 31

Gemarkeerd - 30

Het Muziektheater / De Nederlandse Opera

Gemarkeerd - 28

Gemarkeerd - 27

Gemarkeerd - 26

Gemarkeerd - 24

Gemarkeerd - 38

Einstein verlaat wat wankelend The Beach

Gemarkeerd - 37

Gemarkeerd - 36

Gelukkig werd de kinderrol serieus genomen. Dat zie je weleens anders. Klasse!

Gemarkeerd - 35

Gemarkeerd - 34

Gemarkeerd - 39

Ja, ik wil hem ook nog wel een keer zien, maar dit zijn maffia-praktijken.

The Elephant Man

Olifant

Filosofie voor machinisten – gevorderden

.

Reizigers vragen weleens aan mij: ‘Meester, waar zijn machinisten tijdens de rit eigenlijk zoal mee bezig. Alleen maar wat naar buiten staren is op den duur toch dodelijk saai?’

Staren, beste mensen, daar heeft een machinist geen tijd voor. Eén oogt speurt langs het spoor op zoek naar roestige rafels, botten en breuken. Het andere oog vergaapt zich aan de bovenleiding. Zit er geen steekje los, worden de portalen niet overbelast door het gewicht van de kabel en jagen we er wel genoeg spanning doorheen. Eén oor staat in verbinding met de treindienstleiding, het andere zit vastgekoekt aan de portofoon om in geval van nood direct de conducteur of conductrice naar de plaats des onheils te kunnen leiden.

Met de linkervoet schopt hij geesten en intermitterende – jawel, dat is er helemaal nooit uit geweest – spookverschijningen terug naar het Rijk der Dode Mannen, zijn rechtervoet is vrij om wat door de cabine te struinen, als die maar op tijd terug is als er een beroep wordt gedaan op zijn tyfoonkracht provocerend vermogen (TPV.) Zijn rechterhand zit gedurende de rit stevig om de remkraan geklemd, terwijl de linker soepeltjes de juiste hoeveelheid energie uit de bovenleiding zuigt. (Al is men het sinds de komst van de SLT binnen NS niet helemaal eens over de eigendomsrechten van de linkerhand.)

Inderdaad, deze taken worden na een tijdje routine. Dat wil niet zeggen dat het dodelijk saai wordt. Integendeel! Pas hier begint voor de machinist het echte werk, het echte leven.

Wie draait me terug?

Wie draait me terug?

Wie kan immers beter antwoord geven op de grote, existentiële vragen des levens dan de machinist, die door niets of niemand te beïnvloeden zijn oordeel over de wereld velt vanuit zijn hermetisch gesloten cabine?

Niemand! Eigenlijk zou op dit moment, begin januari 2013, de wereld er ook een stukje mooier uit moeten zien. Aan de machinist ligt het niet. De antwoorden op alle belangrijke vragen liggen keurig op implementatie te wachten. Alleen de communicatie laat het wat afweten. Zelfs duplex-verbindingen moeten tegenwoordig als mono-complex behandeld worden. En tussen alle oversenuiten-en-wiltuzichaandegespreksdisciplinehouden-sluiten hoef je geen zinnig woord meer te verwachten.

Heb je ooit een machinist over de oorzaak en het voorkomen van het treinongeluk in Amsterdam horen praten in het acht uur journaal?
Het antwoord ligt in zijn cabine.

Heb je ooit een machinist horen waarschuwen tegen de gevaren van het gebruik van almaar goedkopere infra?
Antwoord in zijn cabine.

Pieter van Vollenhoven zegt steeds: ‘De klap komt!’
Heb je ooit een machinist die uitspraak horen bevestigen of ontkrachten? Cabine.

Heb je ooit een machinist in het openbaar een vraag horen beantwoorden?

Kraats

De machinist kijkt er niet meer van op. Hij heeft geen punctuali-tijd om lang achterom te kijken. Waar hij ook gaat zitten, het is altijd de voorkant van de trein, op de toekomst gericht. Dat er niet naar hem geluisterd wordt, deert hem niet. Hij geeft zijn antwoorden zelfs als niemand de vragen nog durft te stellen.

Geen gemakkelijke taak, want dat het geen gemakkelijke vragen zijn, zie je aan bovenstaande foto. Geef hier maar eens antwoord op:

Circus. Olifanten en zebra’s, ja of nee?

 

Vangrail.

Vangrail, een levensredder voor automobilisten die uit de bocht vliegen. En een levensredder voor treinpersoneel dat het juiste spoor dreigt te verlaten.

Een conducteur die met een fietsketting wordt bewerkt en zwaar gewond raakt. Ook zijn collega die het zag gebeuren maar de slagen niet op tijd kon stoppen. Een rondzwaaiende fietsketting stop je niet met blote handen.

De machinist die iemand doodrijdt. Meestal blijft een slachtoffer naamloos. Dat valt nog te verwerken. Een meisje van vijftien dat zelf voor de dood gekozen heeft, heel wat moeilijker. Een meisje van vijftien dat door pesters de dood in is gejaagd, onverteerbaar. Haar levensverhaal, dat ze in de vorm van een gedicht achterlaat, brandt letter na letter diepe wonden in zijn ziel. Wonden die nooit meer zullen genezen. Alleen door het gedicht op zijn brandende huid te laten lezen, verzacht hij enigszins de pijn.

De machinist staat niet meer stevig op zijn benen. Hij slingert tussen de rails. Dreigt te ontsporen. Alle mogelijke professionele hulp staat klaar, maar die wijst hij af. Hoe zullen zij ooit zijn gevoelens begrijpen? Wie kan meevoelen met iets dat zo veel pijn doet en tegelijk zo onaanraakbaar is, dat je het niet eens kunt beschrijven? De Vangrail.

Stilte. Meestal ongemakkelijk, werkt nu bevrijdend. Er wordt geen woord gesproken. Er zijn niet eens woorden voor. Begrip heeft de plaats van taal ingenomen. De machinist zit bij iemand die iets soortgelijks heeft meegemaakt. Die dezelfde pijn heeft gevoeld. Die de pijn heeft weten te stoppen. Of ten minste onder controle heeft.

Uit de stilte ontstaat ruimte. Als een tweede harde schijf neemt de Vangrail een deel van de besturing over. De machinist hoeft zich even niet bezig te houden met de besturing van armen of benen. Trillen of rillen is toegestaan. Wordt hier niet vreemd gevonden.

Heel langzaam keert de taal terug. Een nieuw begin. Geen ‘papa’ of ‘mama’ dit keer, maar ‘wat als’, ‘hoe kan’, ‘waarom’, ‘heb ik’, ‘toch’. Steeds gemakkelijker braakt de machinist ze uit. ‘Laat ze maar gaan,’ gebaart de Vangrail. ‘Raak ze maar kwijt. Geef ze maar over.’

Als laatste komt het gedicht naar boven. Even verstikt het de machinist. Dan valt het verlossende woord: ‘Schuldig.’ Een oer-reactie. Een machinist legt de schuld niet bij een ander. Nooit. Dat weet de Vangrail maar al te goed. Wij zijn gewend bij alles een dader en een slachtoffer aan te wijzen. Een dodelijke aanrijding met twee slachtoffers zonder dader, bestaat niet. De Vangrail zal nu het tegendeel moeten bewijzen.

Langzaam krabbelt de machinist overeind. Hij heeft de oorzaken van de zelfdoding onderzocht, heeft de plaats waar het slachtoffer rust bezocht en begrijpt het metrum van het gedicht. Is het er niet mee eens, maar kan het volgen. Op bescheiden wijze probeert hij zijn bijdrage te leveren aan de strijd tegen pesten. Hij hoopt op die manier in ieder geval één leven te redden. De balans recht te trekken.

De gesprekken met de Vangrail krijgen en ander karakter. Ze worden gemoedelijker, gaan niet langer over aanrijdingen, dood en verderf, maar over hobby’s, politiek en zelfs de trein. De machinist begint zich te vervelen in zijn achtertuin.

‘Weet je nog…’ Zo begint hij elk verhaal over de tijd die ze samen hebben meegemaakt maar die de jongere generatie zich niet voor kan stellen. Goederen-treinen met vijftig bakken, urenlang kaarten in een onbewoonbaar hok terwijl de trein werd geladen.

‘Ik heb mijn teammanager gebeld. Ik houd het thuis niet langer uit, ik snak naar een ander uitzicht, de cadans van de wielen.’ De machinist lacht breeduit. De Vangrail is opgelucht. Ook voor hem was het een hel. Hij kan slechts hulp bieden vanuit zijn eigen verleden. Het verwerken van een niet zelfverkozen dood van een piepjonge vrouw die nog volop in ontwikkeling was, daarin schiet zijn ervaring – goddank – tekort.

De teammanager van de Vangrail feliciteert hem uitbundig. Een haast onmogelijke klus geklaard. ‘Denk je dat hij er echt aan toe is?’

De Vangrail knikt met zijn hoofd, maar het woord ‘absoluut’ blijft als een aardappel steken in zijn keel. ‘Hij heeft er echt weer zin in. We hebben dagenlang gepraat over de mooie kanten van het vak, de schitterende ritten en de tijden dat we nog als vogels zo vrij over het spoor denderden. Hij mist het enorm.’ De Vangrail kan niet verklaren waar de scheurtjes in zijn metalen stem vandaan komen.

‘Het liefste was hij vandaag naar Zandvoort gereden om een uurtje over het strand te wandelen. Hij vindt het jammer dat die rechtstreekse lijn verdwenen is. Ik vroeg hem wat hij op de terugweg wilde doen. Toen vertelde hij heel enthousiast over zijn toekomstplannen. Hij wil een netwerk opzetten als dat van Luisteris. Op scholen voorlichting geven over pesten en wat de gevolgen kunnen zijn. Hij heeft het helemaal uitgewerkt en het klinkt heel goed. Weet je hoeveel BN’ers hij al heeft weten te strikken om…’

De abrupte stilte echoot nog door de kamer als de telefoon gaat. De machinist is al bijna een uur te laat en telefonisch onbereikbaar…

Het hart van de Vangrail bonkt bijna uit zijn borstkas. Flarden van de gesprekken met de machinist spoken door zijn hoofd. Stukken verleden, helder als glas. Nostalgisch. Aangenaam. Onsamenhangende delen van de toekomst. Plannen. Te scherp. Te ver uitgewerkt. Euforisch. Waar is het heden? De Vangrail zoekt en speurt, maar vindt geen enkele verband tussen verleden en toekomst. Alsof de machinist zijn trein al lang geleden opgeheven heeft. Zich op dit moment in een niemandsland bevindt…

De volgende dag wordt de machinist op het strand van Zandvoort gevonden. Verdronken, al minstens vierentwintig uur dood. De Vangrail braakt tot hij geen adem meer kan halen.

 

*

 

Is de Vangrail schuldig? Had hij dit drama kunnen voorkomen? Kun je zelfdoding überhaupt aan zien komen? Het kijken door de ogen van iemand die besloten heeft zichzelf van het leven te beroven is ontzettend moeilijk, hoewel niet helemaal onmogelijk.

Tim en Fleur waren intens gelukkig op het moment dat ze stierven. Een stelling die ik later zal verdedigen. Een geluk dat van ze afstraalde tussen het moment dat ze hun beslissing namen en het werkelijke einde. Dat kan enkele uren zijn geweest, maar ik denk meer in dagen. In die ‘gestolen tijd’, de tijd tussen het besluit de pijn voorgoed weg te nemen en de daarvoor benodigde actie, hebben beide signalen afgegeven.

‘Maar ze had net een nieuwe baan.’

‘Het ging net zo goed met hem, hij lachte voor de eerste keer sinds zijn vriendin hem verliet.’

‘Hij kwam een koffer halen en een paar kleren, hij was zo blij dat hij voor zijn nieuwe baas meteen naar New York mocht.’

‘We hebben gisteren haar verjaardag nog gevierd, ze straalde, zei dat ze gelukkig was.’

Bovenstaande regels verzin ik hier ter plekke, maar ouders van kinderen of jongeren die hun eigen einde kozen zullen ze herkennen. Nu wel. Ze vragen zich nog altijd af waarom toen niet.

Als ouders het niet zien. Als professionele hulpverleners het niet zien. Als vrienden het niet zien. Als collega’s het niet zien. Als ervoor getrainde collega’s het niet zien. Kun je dan de Vangrail verwijten dat hij schuldig is aan de dood van de machinist? Is het redelijk te stellen dat hij door zijn onkunde, zelfoverschatting, de dood van de machinist op zijn geweten heeft?

 .

 

Hoe haal je het dan in je hoofd om op blogs, op publieke fora, zelfs in landelijke dagbladen iemand ervan te beschuldigen kinderen de dood te hebben ingejaagd. Zelf nog bijna een kind. Een gepest kind. Een kind dat andere gepeste kinderen wilde helpen. Een kind dat niet zag wat de volwassenen in zijn omgeving ook niet zagen, hoe visionair die zichzelf achteraf ook noemden. Een jongen die een droom had. Een jongeman die goddank nog steeds een droom heeft. Een droom die ik uit wil zien komen….

 .

 Laat hem met rust!

.

.

Jullie haat, gefundeerd of niet, heeft de gedachte aan Tim en Fleur volledig weggevaagd. Aandacht waar de ouders van Tim om gesmeekt hebben. Want daar ging het allemaal om: pesten. Hij heeft het geprobeerd, jullie niet. Als hij schuldig is, ben ik het ook. Laat de beesten zich dan maar tot mij richten.

.

.