120419 Emmas feest parktheater - 7

Raar feestje

Emma's Feest

Emma’s Feest

Bram van der Vlugt

Ingeborg Elzevier

Wouter de Jong

Geschreven door Flip Broekman

Regie: Ignace Cornelissen

 

Komedie over afscheid nemen

Emma is werkster bij de flamboyante oud-minister Kalsbeek. Haar wereld stort in als ze na veertig jaar van de ene op de andere dag op straat wordt gezet. Dan vindt haar kleinzoon belastend materiaal tegen de oud-minister. Het perfecte middel om Kalsbeek te dwingen om zijn oma alsnog een waardig afscheid te geven. Niet zomaar een borrel, maar een groots feest! De tragikomedie ‘Emma’s Feest’ gaat over dromers, oplichters en afpersers tegen wil en dank. Met de Grande Dame Ingeborg Elsevier en de eminence grise Bram van der Vlugt is ‘Emma’s Feest’ bij voorbaat een acteerfeest.

 

 

Raar feestje

Vreemd, vervreemdend toneelstuk. En de acteurs genoten met volle teugen van de verbazing en verwarring in het publiek. Een doeltreffend, vindingrijk, komisch maar klein decor op een veel te groot toneel. Dun geluid, ingetogen bewegingen die totaal niet pasten bij deze Grote Zaal. En dan – hoe paradoxaal – gespeeld door twee Theatergrootheden die je niet eens om een handtekening durft te vragen. De absolute top die zich ineens onder je voeten bevindt en dan ook nog roept: ‘Kom maar op met die schoen!’

Maar de huishoudster die Ingeborg Elzevier hier neerzette… Precies mijn moeder, die ik heel toevallig mee had genomen. Ze kon niet ontkennen dat ze de gelijkenis niet zag. Het verhaaltje was zo doorzichtig en inconsequent, dat zouden Elzevier en Van der Vlugt nooit serieus kunnen spelen, zelfs niet als komedie. Maar de kans het publiek eens flink in de maling te nemen én voor zichzelf nog eens te bewijzen dat ze de meest ongeloofwaardige karakters zo tot leven konden brengen dat het publiek in hen geloofde, die konden ze niet laten lopen.

Prima spel van Wouter de Jong. Dat in bed staan durf ik nog wel aan. Maar een goed gesprek met Sinterklaas voeren terwijl je feitelijk boven in het decor hangt, dat is wat anders. Volgende keer 180 graden de lucht in?

Een Feest was de voorstelling in ieder geval. Wie door dat dunne laagje bedrog heen kon prikken, zag de echte wereld in al zijn bedrieglijke waarheid. En iedere auteur weet dat je de waarheid nooit mag beschrijven, want de waarheid gelooft niemand. Wat niet wil zeggen dat je bedrogen bent als je een avond wat anders voorgeschoteld krijgt dan je verwacht had. Volgens mij hebben Ingeborg Elzevier en Bram van der Vlugt de helft van de hieronder geplaatste reacties zelf geschreven.

Bedriegers.

Reacties op de voorstelling in het Parktheater Eindhoven:

CJ: Ik heb in geen jaren zo’n slecht stuk gezien. Een flinterdun plotje, kennelijk geschreven op een druilerige achternamiddag. Twee -op zich goede- acteurs, kunnen dit ook niet redden. Ik denk dat ze zich ook schamen om met zoiets op het toneel te staan. Het komt niet uit boven het niveau van een, niet zo heel goede, amateur-toneelvoorstelling. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de werkelijk tenenkrommende bijrol van Wouter de Jong. Kortom: zonde van mijn geld….

JM: Een voorstelling om gauw te vergeten. Een flauw, kinderachtig stuk de acteurs, Bram van der Vlugt en Ingeborg Elsevier onwaardig. Het toneel was veel te groot voor deze voorstelling en miste daardoor de broodnodige interactie met het publiek. Hierdoor ook slecht verstaanbaar. Al met al een wat dure avond voor het gebodene.

TT: Amusante zeer goe gespeelde voorstelling. De moeite waard

RB: Buitengewoon sterk spel, goede timing, soms ontroering, typisch tragikomisch, echter decor te gewild, stuk als zodanig te weinig doordacht. Spelers redden het stuk.

S: Wij hadden hoge verwachtingen met het oog op de hoofdrolspelers. Helaas bleek het een teleurstelling. Het geluid had echt beter gekund en we misten ook de vitaliteit in het stuk. Het zag er wat afgemat uit. Stevige prijs ook voor de kaarten als ja na een uur en 20 minuten weer buiten staat.

M: Goed spel van de oude rotten in het vak maar ook van Wouter! Leuke ontknoping, echt een Ingeborgactie! En Bram, nu eens niet in de rol van nette heer, maar van narcist! leuk. Na de voorstelling was het supergezellig in het café beneden, rustiger dan in de pauze waarin je je hete thee snel moet opdrinken!!

RZ: Leuke avond-goed en met plezier gespeeld door alle 3 acteurs. De voorstelling was wel kort en in verhouding niet goedkoop maar wat wil je met de 2 topacteurs.

A-MR: Wat een heerlijke toneelavond. Vooral Ingeborg Elzevier met haar antieke jurkje. Het was een genot om weer eens een “echt” leuk toneelstuk te zien. Het smaakt naar meer. Ook de nazit in het Theatercafé was weer prima op de bekende gastvrije wijze verzorgd. P.S. Het geluid was prima.

RK: Geweldige acteurs. Een voorstelling mag ook wel eens ontspannend zijn. Wij verheugen ons, in 2013, hopelijk ook in uw theater, Bram van der Vlugt samen met Joost Prinsen, als twee broers te zien acteren. Het hebben van geen pauze heeft m. i. het voordeel, dat je niet in de rij hoeft te staan voor een kopje koffie en deze vlug vlug moet opdrinken. Nu beschik je na de voorstelling over wat meer tijd in uw gezellige bar, waar een goed glas wijn wordt geserveerd. Wij zaten op rij 12 en de geluidsweergave was uitstekend.

AH: Een genoeglijke theateravond. Genoten van het toneelspel van twee acteurs op leeftijd. Zij wisten van een simpel verhaal iets bijzonders te maken.

Muhly bloemen

De gelaagdheid van twijfel.

Layers;

Privé gebruik van Twijfel en Onthechting voor Dummies
Door Nico Muhly, Calefax Rietkwintet en Lenneke Ruiten

Raaf Hekkema

Ieder jaar is het een keer dertien april. Zo ook in 2012. Het is zelfs Vrijdag de Dertiende, een dag om in bed te blijven. Dat heb ik dan ook het grootste deel van de dag gedaan. Begrijpelijk als je weet dat ik ervoor vier nachtdiensten heb gedraaid. En om helemaal van enige verjaardags-perikelen af te zijn, ga ik vanavond naar een concert in Muziekgebouw Frits Philips. Eerst wilde ik de hele familie daarvoor uitnodigen, maar ik bedacht net op tijd dat ik Vriend van Calefax was, niet hun ergste vijand. Bovendien wil ik de wereldpremière van Nico Muhly’s Hymns for Private Use, de titel zegt het al, niet met anderen delen.

Tijdens de opkomst van het Kwintet, valt me iets op. Op tien januari, na een uitvoering van musikFabrik, noteerde ik het volgende:

Er is geen overgang tussen leven en dood, klank en stilte. Stilte is ook klank en daarmee is dood tegelijk leven. Althans in mijn wereld. En niemand heeft me verboden de vraag Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte? eerst zelf te beantwoorden alvorens naar de muziek te luisteren. Dat is minimaal één muzikant met me eens. Zo niet, dan vertel ik iedereen bij Calefax dat hij is vreemdgegaan.

Alban Wesly N.S.

Met die ene muzikant doelde ik op fagottist Alban Wesly en wat schetst mijn verbazing? Het is uitgelekt – ik heb echt niks gezegd Alban, ik zweer het – en er zijn disciplinaire maatregelen getroffen. Raaf Hekkema kondigt het 990-ste optreden van Calefax op indringende wijze aan. Alban Wesly – die zichzelf de beste voetballer noemt van het Kwintet – is de komende zes wedstrijden geschorst en vervangen door Heidi Mockert. Hekkema zegt er nadrukkelijk bij dat Wesly het duizendste optreden niet hoeft te missen. Een duidelijke waarschuwing. Officieel speelt Alban Wesly niet mee omdat hij in verwachting is van zijn eerste kind. Maar ook zijn vervangster, Heidi Mockert, is in verwachting en zij speelt wel…!?

Het is natuurlijk niet aardig om te zeggen dat Alban niet gemist wordt, maar Heidi – in Engeland geboren en in Duitsland opgegroeid – is een waardig vervangster. Ze mag zelfs de leiding nemen in één van de Bach-intermezzo’s, die zowel een contrast vormen met de overige werken, als een soort tijdloos tussenspel: Bach is het begin, Bach is het einde. Bach is de Alfa en de Omega.

Het programma van vanavond draagt de titel Layers. Op zich is die titel goed te verdedigen, maar ik zou het toch liever de avond van de Twijfel noemen. Line and Length, is behalve een compositie van Matthew Shlomowitz, ook een cricketterm. Het is een worp die de slagman bewust aan het twijfelen moet brengen: meppen of niet meppen, dat is de vraag. Een deel van het werk doet me aan treinverkeer denken. Een mooi muziekstuk om onder een filmpje te gebruiken. Dat blijkt Shlomowitz zelf ook al bedacht te hebben, gezien zijn werk Train Travel.

Walden van Hans Abrahamsen is een schitterende compositie die het publiek meeneemt naar de eenzaamheid van het bestaan, letterlijk in een hutje op de hei. Gebaseerd op het werk van filosoof en schrijver Henri David Thoreau, verklankt het de twijfel van de kluizenaar. Is hij onderdeel van de organische natuur, of is hij er slechts te gast? Misschien wordt hij door dieren zelfs als een indringer gezien. Ben je als mens afhankelijk van de natuur of stijg je er bovenuit? De compleet verschillende zangpatronen van vogels die samengevoegd toch een eenheid lijken te vormen, tonen in elk geval aan dat je geen onderdeel uitmaakt van de gelukzaligen die het aardoppervlak overvleugelen. De twijfel leidt tot vertwijfeling. Thoreau heeft de natuur de rug toegekeerd, en is gestorven aan een loodvergiftiging.

Walden is een compositie vol momenten van twijfel en verstilling. De vijf musici presenteren zich als solist of als duo, nooit ontstaat er een duidelijke meerderheid. Alsof de natuur strijdt met zichzelf en de buitenstaander vreemde sprongen moet maken om niet één van de partijen een meerderheid te bezorgen en de ander te vernietigen. Er moet altijd een evenwicht gezocht worden. Soms zijn enkele staccato-nootjes voldoende om de balans te herstellen. Die nootjes weten de musici van Calefax, zonder dat ik ze met hun voeten zie tellen, steeds weer exact tegelijk te produceren. Ongelooflijk knap. Die onderlinge verbondenheid, dat moet een soort groepsgeest zijn die in de dierenwereld wel vaker wordt aangetroffen.

Trotse componist Nico Muhly voor het Calefax Rietkwintet

De hymnen uit Hymns for Private Use van Nico Muhly, zijn een mengelmoes van muziekstijlen op teksten die geschreven zijn tussen de vierde en de achttiende eeuw van onze jaartelling, aangevuld met nieuwe hymnen voor imaginaire schoolklassen in het koloniale Amerika. De muziek beweegt zich daardoor van de ene stijl naar de andere, kriskras door de tijd, zonder tot rust te komen. Het zijn hymnen in chaos. Een chaos waarin de jonge operazangeres Lenneke Ruiten orde probeert te scheppen, maar twijfelt of ze daartoe wel in staat is. De zachte wiegezang van Maria wordt ruw verstoord door trillende en bevende blazers, angstig en onzeker in hun aanbidding van het Kind. In de herfst laat de componist de blaadjes zachtjes ruisend van de bomen vallen, een moment van bezinning. Totdat Jelte en Heidi erdoorheen ploegen met hun gigantisch krachtige bladerenblowers.

Lenneke Ruiten en Heidi Mockert

Muhly legt in deze compositie een parallel naar de hedendaagse, menselijke wereld. Uitgezonderd diegenen die vinden dat zij recht hebben op alles en de hulpbehoevenden laten barsten, is het een wereld vol twijfel en angst. Hoe weet je nu of je iets goed doet? Welk pad moet je kiezen? Stilstaan blijkt geen optie en als je eenmaal op weg bent, het einde van het pad nadert, dan stort het noodlot zoveel puin over je weg, dat je noodgedwongen om moet keren. Heb je je hele leven trouw naar de regels van de kerk gehandeld, blijkt dat de pastoor de grootste misdadiger was die ooit het dorp bewoonde. Je blijft het Ave Maria zingen omdat je niet meer anders kunt, maar de betekenis, de richting van het lied, is in wierook opgegaan. Het is geen gemakkelijk muziekstuk, maar Muhly heeft een werk gecreëerd dat door iedereen op eigen wijze geïnterpreteerd mag worden. Daar kun je eindeloos over discussiëren, je kunt ook de componist gehoorzamen en de hymnes uitsluitend thuis gebruiken, geheel naar eigen inzicht twijfelend of je de goede uitvoering hebt gekozen. Precies zoals Muhly bedoeld heeft.

Altijd op weg naar de volgende compositie

Ook over het laatste werk, New York Counterpoint van Steve Reich, hebben de vijf musici van Calefax lang getwijfeld. Het arrangement van Raaf Hekkema is namelijk bestemd voor elf blazers. Niet erg handig als je in een Quintet speelt dat niet verder dan tot vijf kan tellen. Na lang aarzelen hebben de leden van Calefax de knoop doorgehakt en door middel van loting de vijf instrumenten aangewezen die live de muziek mogen vertolken. Gelukkig zit daar de klarinet bij, zodat Ivar Berix zijn Kunst niet aan een elektronisch appeltje hoeft af te staan. De zes afvallers zijn in een koffer gepropt en via luidsprekers te beluisteren. In de solostukken klinken vaak drie of vier klarinetten, terwijl er slechts één te zien is. Je zou kunnen zeggen dat Ivar Berix op zo’n moment met zichzelf speelt. Of is het Steve Reich die met hem speelt. Nu begin ik te twijfelen…

Heidi en Ivar

Het was in ieder geval een prettige verjaardag, doen we volgend jaar weer zo. Calefax en Heidi Mockert heel hartelijk bedankt, evenals operaster Lenneke Ruiten. En voor de aanstaande vader: alvast gefeliciteerd. Het is nu te laat om nog te twijfelen.

NBE na afloop

Maria. Modern geblazen Paasverhaal over Leerse mentaliteit en Griekse Iconen. AMAI


 Er was eens, lang geleden en ver hiervandaan, een Koning die regeerde over een klein dorpje aan de rivier. Ja, de machtsverhoudingen lagen toe nog heel anders. De Koning was tevreden met een klein dorpje, meer kon hij toch niet overzien. Hij zou ook nooit een oorlog kunnen beginnen, want hij had geen leger. De mensen hadden het veel te druk voor dat soort rechtse hobby’s. Er moest gewerkt worden door iedereen; mannen, vrouwen en kinderen vanaf acht jaar.

 Dat was weleens anders geweest, toen het dorp nog volop werd bezocht door handelsreizigers uit het verre buitenland. Maar nadat zijn zoon vijftien was geworden en voor het eerst zonder zijn moeder naar buiten mocht, was er iets veranderd. Wildert had geklaagd dat hij uitgelachen werd door al die buitenlanders en hij eiste dat hij bescherming kreeg. De Koning wilde daar niets van weten, maar van zijn moeder kreeg de huilbaby alles gedaan. In de praktijk hielden Wildert en zijn handlangers steeds meer handelskaravanen tegen aan de poort en stuurden hen zonder hun handel – die werd in beslag genomen op grond van de nieuwe terrorismewet – terug naar waar ze vandaan kwamen.

 Na verloop van tijd bleven de buitenlanders – en daarmee hun goederen, luxeartikelen, smaakvolle kruiden en wetenschappelijke boeken – weg. De nieuwsgierigheid van de Koning naar de laatste snufjes uit Constantinopel, Sint Petersburg of Parijs, werd niet langer bevredigd. Aan het gedrag van Wildert moest snel paal en perk gesteld worden. De dorpelingen kregen het werk niet op tijd af nu al het buitenlandse personeel vertrokken was. Het gevolg was namelijk dat hij opeens zijn eigen toilet moest schoonmaken. Hij had geen idee hoe. Hij probeerde mensen op straat met een paar centen te verleiden zijn wc te reinigen. Geen dorpeling die erover piekerde de drollen en het water van de Koning naar de rivier te dragen. Hij vreesde dat hij zonder buitenlandse werknemers zou sterven van de stank.

 Hij verzon een list. Iedereen in het dorp kende de naam van zijn vrouw, Maria, maar niemand had ooit haar gezicht gezien. De Koning was bang dat de mannen alleen nog zouden dagdromen na het zien van zijn Maria. Vrouwen zouden hun mannen uit jaloezie niet meer bij zich laten slapen, wat heel slecht was voor de aanwas van zijn volk. Maar wat kon hij anders? Als hij de harten van zijn volk wilde winnen, kon de Koning niet langer om zijn Maria heen.
In bed vertelde hij haar over zijn plan. Hij zou een groot muziekfestival organiseren en de winnaar daarvan zou een dag en een nacht lang in haar ogen mogen staren. Hij verkneukelde zich alleen al bij de gedachte aan het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal. Maria was iets minder enthousiast.
‘Mijn gezicht zien als hoofdprijs van een festival? Heb jij mij weleens goed bekeken? Een vrouw is meer dan haar buitenkant, ware schoonheid zit van binnen.’
De Koning beloofde haar dat hij dat grondig zou onderzoeken. Als zij gelijk had, en dat beloofde hij plechtig, ging het feest niet door. Een kwartiertje later moest hij haar teleurstellen:
‘Nee hoor liefste. Je binnenkant is aangenaam vertoeven, maar ware schoonheid zit toch echt aan de buitenkant. Je bent de mooiste van de wereld. Jij bent mijn hoofdprijs en ik ga snel de wedstrijd uitschrijven.’

 Op elke boom en elke lantaarnpaal, nee wacht, die waren er toen nog niet, op elke kerkdeur werd een aankondiging van het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal geplakt. De Koning liet betrouwbare koeriers uitrijden naar het buitenland, in de knijpende hoop dat hij er ten minste iemand aan overhield die voor weinig geld zijn emmer wilde legen. De berg daarop kon iedere dag instorten, om over de hoeveelheid vliegen maar te zwijgen.
Wildert hoorde te laat van de plannen van zijn vader en kon het AMAI niet meer tegenhouden, zelfs niet als hij snikkend zijn hoofd op mammies schouder zou leggen.

 Het aantal aanmeldingen overtrof de verwachtingen van de – nu bijna – opgeluchte Koning. Opgewonden vertelde hij zijn vrouw dat het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal wel twee of misschien zelfs drie dagen kon gaan duren. Maria, nog steeds diep gekwetst, draaide zich om en liet haar man, Koning of niet, niet tot haar toe. De Koning, nog steeds in opperste staat van paraatheid, dwaalde door zijn paleis om tot rust te komen. Geen van zijn dienaren had zich echter ooit verdiept in de Griekse Filosofie (kort intermezzo in verband met de Maand van de Filosofie) en explicieter durfde de Koning niet te zijn. Gelukkig stonden er in de stal nog een os en een ezel, een Griekse Tragedie zou je het kunnen noemen, bejaarde trekdieren die waren achtergebleven na een ander feest.

 De zaal puilde al uit zijn voegen toen de eerste dag van het AMAI nog niet half om was. Maria zat gesluierd naast haar man op een troon. De horeca in het dorp deed goede zaken, evenals de hotels. Nou ja, geen echte hotels natuurlijk, wat moesten ze daarmee. Maar de Koning had een aantal van zijn onderdanen zover gekregen dat ze bereid waren ‘s nachts een vreemdeling tussen zichzelf en hun vrouw in te laten slapen. Na aftrek van belasting hielden ze er een mooie cent aan over, had hij hen beloofd. Een belofte die hij letterlijk hield, tot woede van zijn dorpsgenoten die “een mooie cent” als “veel geld” hadden geïnterpreteerd.

Oudste samenstelling Rowwen Heze

 Zo gingen twee dagen voorbij en bij de meeste feestvierders begon er een beetje de klad in te komen. Ook de hoop van de geconstipeerde Koning begon af te nemen. Tot hij twee bekende klaplopers het podium zag beklimmen. Toen liet hij alle hoop in één klap varen. Jack, de waard die altijd troebel bier schonk omdat hij water uit de stinkende poel achter zijn huis gebruikte om zijn drank te brouwen, en die buitenlander uit Enckevort, Tren, met zijn versleten trekorgeltje. Ze hadden nog een paar zwervers bij zich die hij niet kende. Waarschijnlijk zonder vaste woon- of verblijfplaats. “Tuig” zou Wildert ze noemen. De Koning moest hem in dit geval gelijk geven. Dit zootje ongeregeld zou zijn beeldschone vrouw nooit kunnen verleiden met hun drankliederen. Wildert bekeek knarsetandend die rowwen hèze, onttrokken aan het zicht door vier kleerkasten.

Toen de eerste tonen echter klonken, verstomde het geroezemoes in de zaal van het paleis. Dit was toch net even anders dan die troubadours met hun dubbelzinnige liederen. Deze klanken brachten de Koning terug naar zijn jeugd, zijn ouders, zijn oude school, zijn eerste liefde. Hij kreeg zowaar tranen in zijn ogen en nam snel een hap van een zwaar overpeperde haas. (Die wel eerst geroosterd was hoor, zo slecht was de Koning in die dagen nog niet. Voor dieren.) Als snel zat hij snikkend op de troon. Uit eerbied, of slijmerij, jankte het volk op de vloer mee. Aan de vochtige sluier zag hij dat ook zijn vrouw haar tranen niet kon bedwingen. Zijn darmen maakten een jubelsprongetje in zijn buik.

Ik zit eerste rij balkon

 Hij begon zich net af te vragen of deze groep ook nog iets te vertellen had, toen iemand vanaf het podium luidkeels schreeuwde: ‘MARIA!
Elk levend wezen in het paleis, van de kat in de kelder tot de vleermuis op de vliering, droogde zijn tranen en danste mee in de opgewekte wending die de muziek had gekregen. De naam van zijn vrouw had droefenis omgezet in hoop en plezier. De Koning pakte haar bij haar schouders en nam haar mee de dansvloer op. Zijn waardigheid liet hij, met zijn mantel, achter op de troon.

Er landde net een blad vol bier op ’s Konings rug, toen de muziek stopte. Het deerde hem niet. De dader werd publiekelijk gevierendeeld en daarna, zand erover. Zonder zijn vrouw iets te vragen liep hij met haar op Jack van het troebele bier af.
‘Poels,’ zei hij met eerbied. ‘Alles vergeven en vergeten. Als winnaar van het eerste  Allemachtig Muziekconcours America Internationaal, mogen jij en de rest van je gezelschap, een dag en een nacht lang in de ogen van mijn vrouw kijken. Ik voeg er zelf, als Americaans Vorst, nog een persoonlijk aardigheidje aan toe. Poels, je hoeft het niet bij kijken te laten. Jullie mogen tot morgenmiddag doen met haar wat je ook maar wilt.’

 Om haar geen kans te geven tegen te stribbelen, trok de Koning met één flinke ruk de sluier van achter over haar hoofd. Het werd doodstil in de zaal. Bezoekers en muzikanten sloegen van afgrijzen een hand voor hun mond. Slechts die troebele poel en zijn buitenlanders bleven glimlachen en kusten Maria. Langzaam kwam het gefluister en geroezemoes op gang. De Koning keek verbaasd om zich heen. Wat was er aan de hand. Hij draaide zijn vrouw naar zich toe om te zien of er iets mis was. Toen hij haar rotte tanden zag en haar gescheurde lippen, kleine probleempjes waarvoor hij de behandeling uit het pakket had gehaald, sprak hij zachtjes: ‘MARIAAAA?’

 Onmiddellijk zette de band weer in en rolde iedereen over de dansvloer. De Koning kreeg al snel in de gaten dat hij niet met zijn vrouw, maar met haar kamermeisje danste. Maar waar hij ook zocht, aan wie hij het ook vroeg, hoe hij ook bad, smeekte en vloekte, hij heeft zijn vrouw nooit meer teruggevonden. Het gevolg daarvan was dat hij en zijn zoon langzaam naar elkaar toegroeiden. Wildert was niet meer tegen álle buitenlanders, ook al leidde zijn indeling in ‘Nuttig’ en ‘Onbruikbaar’ regelmatig tot stevige discussies. En de Koning kreeg zo langzamerhand ook een baard van al die componisten, allesdoorzieners en andere ramptoeristen die het dorp bezochten. Het liefst zou hij al die Marianen verbannen naar hun eigen America, bij voorkeur aan de andere kant van de oceaan. Hij besloot de landelijke politiek op te zoeken. De Koning, zijn zoon en een buitenlander om de bagage te dragen, trokken als Drie Wijzen uit het Oosten, naar het – toch wel een beetje beangstigende –  Westen. America was een bedevaartsoort geworden voor de hulpbehoevenden en een bron van inspiratie en geestkracht voor musici en componisten. Het barstte bijna uit zijn voegen, maar de te hulp geroepen, net in het machtscentrum gezetelde, Koning bleek erg hardLeers.

 De dorpelingen profiteerden ondertussen van de opnieuw opgebloeide handel. Ze deden eigenlijk niets meer zelf, maar verhuurden delen van hun huis of schuur voor woekerprijzen. Er was nu eenmaal slechts één dorp waar Maria was verdwenen en als je dat wilde bezoeken moest je er iets voor over hebben. Vaak wisten de dorpelingen niet eens wie ze in huis haalden. Het kwam voor dat Palestrina, Orlando di Lasso, Vivaldi en Scarlatti tegelijk in het dorp verbleven, terwijl niemand het in de gaten had. Het viel hooguit op dat een aantal bezoekers elkaar, als ze elkaar passeerden, niet wilden zien en hooghartig hun hoofd de andere kant uitdraaiden, de kin zo hoog mogelijk geheven.

 Pergolesi dacht eerst diep na voordat hij de eerste noot van zijn meesterwerk op papier zette en belegde een componistenvergadering.
‘Gewaardeerde collega’s,’ sprak hij tegen een grote groep musici die niet wisten waar ze moesten kijken om een ander niet te zien.
‘De ten hemel schreiende verdwijning van Maria is een grote inspiratiebron voor ons allen. Het is onze meesterproef, zou je kunnen stellen. Aan ons Maria zullen wij in de hemel beoordeeld worden. Dat clubje rondom Christiaan Hesen niet meegeteld uiteraard. Hun gang naar de hel moge vaststaan.
‘Maar kunnen wij ons voor onze Heiland vertonen met een muziekwerk dat eenvoudig Maria heet en ook nog eens vernoemd is naar een oerlelijk vrouwspersoon uit Limburg? America, de Heer weet niet eens waar het ligt.’ De aanwezige componisten konden er wel om lachen en knikten een moment instemmend naar elkaar om hun hoofd meteen weer van de ander af te wenden.

 ‘Ik stel dus voor om de titel van het werk enigszins aan te passen. Maria is nu toch waarlijk ons aller moeder. Zo staat ze er nog, zo is ze in rook opgegaan. Wat denken jullie van Stabat Mater als overkoepelende titel?’ Tja, daar had nog niemand werkelijk over nagedacht, dus het voorstel werd zonder mokken aangenomen. Stabat Mater klonk alvast heel wat plechtiger dan Maria.
‘Om het geheel wat meer “body” te geven,’ Pergolesi liet even de biceps van zijn rechterarm rollen, ‘heb ik er ook een korte tekst bij gemaakt. Bekijkt u die eens op uw gemak.’

Stabat mater dolorosa
Iuxta crucem lacrimosa,
Dum pendebat filius.
Cuius animam gementem
Contristatam et dolentem
Pertransivit gladius.

 ‘Dit is slechts het begin, in totaal zijn er tien coupletten. Maar u bent vrij om dat aantal te bewerken natuurlijk. Het moet immers úw meesterwerk worden. Blindelings het mijne kopiëren, dat zal De Heer – Buma/Stemra – ontstemmen. Gebruik liever uw eigen BREIN.’
Er werd direct gestemd en geteld.
Dvořák? voor, Boccherini? voor, Rossini? voor, Verdi? voor, Breuker? tegen. Natuurlijk, jouw wereld wentelt zich nog eens in de misère! Penderecki? voor, goed zo. Pärt, Jenkins, Szymanowski? Allen voor. Je ziet het, je staat weer eens alleen Willem Breuker. Maar ik denk ook niet dat de Heer op jouw gepiep en gejengel zit te wachten. Jij zult altijd een kleine zwerver blijven.’

Calliope Tsoupaki

 Eén componist hield zich een beetje verborgen in de schaduw en werd over het hoofd gezien. Calliope Tsoupaki wilde ook tegen stemmen, maar niet de hoon van de rest over zich heen krijgen. Dapper wat Breuker deed, maar dat was niet haar stijl. Ze ging nooit rechtstreeks in de aanval, maar liet haar gedachten, als ze in bed lag,  samenvloeien met herinneringen en de magische illusie van iconen. De droom die daaruit ontstond verklankte ze naar een nieuwe compositie. Als ze het ergens niet mee eens was, dan uitte ze dat in muziek, een taal die zo hard kon zijn als een vuistslag in het gezicht, maar een achtste noot later datzelfde gelaat kon strelen. Het was haar na één nacht al duidelijk. Haar meesterwerk zou geen Stabat Mater heten, maar teruggaan naar de basis. De basis van aanbidding, de gevoelens van een vrouw die een baby koestert die gedoemd is nog tijdens haar leven te sterven, de basis van muziek, in kerktoonsoorten maar zeker ook die van haar moederland en veilige thuishaven Griekenland, overeind gehouden door zandbanken en luchtkastelen, de basis van eenvoudige middeleeuwse troubadours, niet meer dan een stem en wat tokkelende snaren, de basis van de polyfonie, polyritmiek, de basis van de componist in zichzelf, de basis van haar vrouwelijk inzicht, de basis van haar moederzijn. Bron van haar eigen moederschap. Die innerlijke strijd van moederliefde zou ze voeren in haar meester-compositie Maria.

 Op weg naar huis werd ze ingehaald door een snelle ruiter te paard. Ze dacht aan een struikrover en vreesde dat haar laatste uur geslagen had. De ruiter liet haar koets stoppen en opende de deur. Hij stapte in en ging tegenover de doodsbange componiste zitten. In een ijzig kalm tempo deed hij zijn helm af en haalde de zakdoek van zijn mond. Hij stak zijn hand uit en zei:
‘Hallo, mijn naam is Bart Schneemann en ik wil u een voorstel doen.’ Hij leek op antwoord te wachten, maar Calliope wist niet wat hij van haar wilde.
‘Als u mij een voorstel wilt doen, waarom stuurt u dan geen mail of belt u me niet gewoon. U hebt me bijna een hartaanval bezorgd.’ Schneemann keek even alsof hij water zag branden, stak zijn hand in de binnenzak van zijn stoffige jas en haalde er een mobieltje uit.

 ‘Verrek, hoe kon ik dat nu over het hoofd zien.’ Alsof hij vervroegd aan het dementeren was, draaide hij het apparaat een paar keer rond. ‘Met internet en e-mail nog wel.’ Met een blik van ongeloof bekeek hij de binnenkant van de koets.
‘Als u zo bang bent voor struikrovers, waarom reist u dan niet per trein of per vliegtuig. Het is voor een paard een heel eind van America naar Piraeus.’
Als dierenvriend schaamde Calliope zich dat ze daarvoor geen enkele uitleg had. In Boukoul nam Tsoupaki de hogesnelheidstrein naar Griekenland, Schneemann ging per vliegtuig terug naar Amsterdam. Ze hadden hun plannen uitvoerig besproken en heel globaal een datum geprikt. Tussen 2000 en 2025 moest het plaatsvinden.

*_*_*

Bart Schneemann

 Op 5 april 2012 was het dan zover. Het podium van het Muziekgebouw aan ’t IJ was er speciaal voor verplaatst. Het was een stuk de zaal ingeschoven. Mogelijk dat het Nederlands Blazers Ensemble het publiek recht in de ogen wilde kijken, maar het zal waarschijnlijk meer met het geluid te maken hebben gehad. Een nadrukkelijker echo die de indruk moet wekken dat je je in een Grieks-orthodoxe kerk bevindt met hoge muren en mat blinkend, gouden iconen, die je zowel in je ogen als in je ziel kijken. Tsoupaki was de overval van Bart Schneemann duidelijk nog niet vergeten. Op een ludieke manier nam ze wraak door de hoboïst een verdieping lager, vlak voor twee trombones en een hoorn te parkeren. Het was extra hard werken voor Schneemann maar hij sloeg zich er dapper en zonder klagen doorheen. Na afloop was alles tussen hem en de bejubelde componiste dan ook weer koek en ei, wat goed uitkwam, zo vlak voor Pasen. Hij had zelfs palmtakken met handgeschreven kaartjes voor haar meegenomen. Zeker wéér niet gedacht aan zijn mobiel met mailmogelijkheden. Of hij nadert de leeftijd waarop mensen die nieuwerwetse gebruiksaanwijzingen niet meer begrijpen, over ingewikkelde handelingen met piepkleine toetsjes die een kind van zes intuïtief uitvoert. Hoe dan ook, we mogen blij zijn dat hij voor de hobo heeft gekozen.

 Wel jammer dat de geprojecteerde beelden op het doek achter het podium nauwelijks zichtbaar waren. Niet dat er per se beelden bij de uitvoering getoond moesten worden om het interessant te houden, maar als je alleen wat vlekkerige godsdienstige motiefjes kunt projecteren, laat ze dan liever weg. Er waren een aantal – voornamelijk jongere – mensen in de zaal, die een dynamischer optreden van het NBE hadden verwacht. Altijd vernieuwend, sprankelend, beweeglijk en met een zekere diepgang in een onverwachte richting. Dat we een Byzantijnse Rite te zien en te horen kregen was op zijn minst onverwacht en zeker met behoorlijk wat diepgang. Het enige waarin ik de teleurgestelde toeschouwers gelijk moet geven, is dat de flyer iets anders suggereerde dan een religieus mystieke, naar binnen gekeerde avond.

 Calliope Tsoupaki laat zich diep in haar ziel kijken. Enerzijds door zich gewillig over te geven aan orthodoxe rituelen, die haar als kind toch geïmponeerd moeten hebben en die haar zienswijze als volwassene een bepaalde richting hebben gegeven. Anderzijds door zich als volwassene steeds in contact te stellen met dat kind in haar en een pad te kiezen dat voor beide begaanbaar is. Dat pad moet voldoende uitdagingen bevatten die om een zekere zelfreflectie vragen. Behalve de onzekerheid, de angst en de tranen van de Moeder, die Tsoupaki hier aan de blazers en zangers heeft toevertrouwd, houdt de componiste ook rekening met de belevingswereld van het Kind. Chitarrone, viola da gamba en santur laten het spelen, verbaasd naar de indrukwekkende muziek luisteren, laten het Kind meedrijven op de stroom van oude rituelen en verhalen, maar ook protesteren als het dreigt te verdrinken in die overdaad van moeilijk te rationaliseren mystiek.

 Uiteindelijk lijkt het alsof Tsoupaki probeert het Kind gerust te stellen, Hem te verzoenen met zijn Moeder. Er één geheel van te maken. Het werk kan pas eindigen als de Zoon zich met zijn Moeder heeft herenigd. Niet door terug te gaan naar de oorsprong, maar door de wegen die zij hebben afgelegd tijdens hun aardse bestaan in elkaar te laten vloeien, samensmelten tot een beter geheel. Of in ieder geval een wijzer geheel, een Moeder en Zoon die samen meer zijn, véél meer zijn dan de som van de losse onderdelen. Terwijl het bloed en vocht uit de wond in Zijn borst stromen, valt het doek.

 Het publiek reageert aanvankelijk nog bijna religieus. Toeschouwers – waaronder ikzelf – zitten gevangen in een klankwereld die dogma’s verwerpt en zich toch overgeeft aan orthodox-Griekse Byzantijnse rituelen. De musici op het podium aarzelen even, is hier iemand? De zaal was toch uitverkocht? Afgaan of niet afgaan, dat is nu de vraag. Maar net als de avond lijkt te doven als een nachtkaars, staat iemand op de achterste rij op, zet zijn handen aan zijn mond en roept zo hard mogelijk: ‘MARIAAAA’!

Wat zijn ze veranderd hè? In die paar eeuwen dat dit verhaal speelt.

Aanbevafb

Requiem in het graf van een lege kist

Als een zuchtje wind een paar tellen een gat in de mist slaat, zie ik eindelijk de poort die toegang biedt tot het kerkhof. Ik moet hier zeker al vijf of zes keer voorbij gereden zijn, maar nergens langs de weg staat een aanduiding of bord dat op de entree van de begraafplaats wijst. En om met dit weer op de gok door de drassige grond naar een zandpad te rijden, lijkt me geen goed idee. Zeker niet als je zo handig bent als ik.
Dat ik nu op het terrein ben, betekent niet direct dat ik weet waar ik moet zijn. In het licht van de koplampen zie ik slechts een wolk verlichte waterdruppeltjes, twijfelend of ze nog even gezellig bij hun familie zullen blijven plakken, of toch maar de wetten van de zwaartekracht zullen gehoorzamen. Deze begraafplaats moet een enorm oppervlak beslaan. Het duurde steeds een kwartier om er omheen te rijden, al kan ik ook een dwarsstraat gemist kan hebben.

 Wat doe je als je de weg niet kent, niet eens ziet, en je absoluut niet weet welke kant je op moet? Juist, dan ga je maar gewoon rechtdoor. Dat wil zeggen dat je de weg blijft volgen natuurlijk. Totdat je opeens de eerste boom van een bos ontmoet. Daarachter een woud dat zich als een dodelijke schaduw uit de damp aan je opdringt. Eigenlijk is dit het perfecte weer voor een begrafenis. Mist, bomen, onheilspellende schaduwen en af en toe een zuchtje wind. Die ene zucht biedt je dan één of twee seconden een wat wijder zicht om je te oriënteren totdat de mist zich weer hermetisch sluit. Een metafysisch fenomeen waar ik me helemaal aan over kan geven. Dat bos ga ik echter voor geen goud in.

*_*_*

 ‘Dat werkt altijd. Haha,’ lacht een man van ongeveer mijn leeftijd, terwijl hij plaatsneemt op de stoel naast mij. Na de harde klap op het dak van de auto keer ik langzaam terug naar de bewoonde wereld. Mijn hart neemt langzaam zijn gewone ritme weer aan.
‘Sorry,’ de vreemdeling trekt een bedenkelijk gezicht, ‘je bent wel erg geschrokken zo te zien. Gaat het wel?’
‘Ik houd gewoon niet zo van begrafenissen,’ lieg ik. ‘En dan deze atmosfeer…’ De man volgt mijn blik langs de boomtoppen en knikt.
‘Je zult het niet geloven, maar zo is het hier alleen tijdens uitvaarten. Daarom staan er ook geen wegwijzers op en om het terrein. Het is zo open dat je direct ziet waar je moet zijn. En om nou voor die twee of drie keer per jaar zoveel werk te verzetten en die borden te onderhouden, dat zie ik niet zitten.’

 ‘Twee of drie keer per jaar? Maar waarom is deze begraafplaats dan zo enorm groot?’
‘Al sla je me dood,’ antwoordt de man alsof hij er zelf nog nooit over heeft nagedacht. ‘Misschien is er een extra buffer nodig tussen de doden die hier rusten en de buitenwereld. Ze komen altijd zelf hier naartoe, ze worden nooit door familie gebracht. Je ziet hier ook geen namen op grafzerken of kruizen staan. Ik begraaf de kisten gewoon zonder erbij stil te staan wie er eigenlijk in ligt. Mag ik eens vragen voor welke begrafenis jij hier komt?’

 Nu is het mijn tijd om overbluft te worden.
‘Natuurlijk, ik kom voor P…. Hoe heet hij ook alweer, hij was laatst nog te zien… Nee hij stond in de krant, of was het…’ Hoe ik mijn mentale kaartsysteem ook doorzoek, ik kan geen enkele reden vinden om op dit moment op deze plek te zijn.  ‘Wie zijn er onlangs overleden eigenlijk?’
‘Ja, dat weet ik niet hoor. De krant wordt hier niet bezorgd. Ik weet wel dat jij hem misloopt als we niet vlug naar de kerk rijden.’
‘Ik wist niet eens dat hier een kerk stond. Die staat in ieder geval niet op de plattegrond. Welke kant moet ik op?’
‘Hier naar links. De kerk is grotendeels ondergronds aangelegd, daarom ziet iedereen hem over het hoofd. Dat laat ik liever ook zo. Er liggen nogal wat bijzondere voorwerpen en als dat eenmaal bekend wordt, staan ze zo binnen om het te stelen en op een rommelmarkt te verkopen. En er zijn voorwerpen bij… Ik snap werkelijk niet waarvoor ze die tweehonderd jaar geleden in de kerk nodig hadden.’

 In gedachte zie ik zware metalen martelvoorwerpen voor me, maar door zijn veel betekend lachje weet ik dat ik het meer in de erotische hoek moet zoeken.
‘Als jij niet weet wie er begraven wordt en wie er eventueel op af komt, waarom stond je me dan op te wachten? Je gaat toch niet beweren dat je elke dag op dezelfde tijd op die plek staat?’
‘Natuurlijk niet!’ Hij klinkt licht verontwaardigd. ‘Ik heb je toch al gezegd dat deze mist er alleen hangt als er iemand ter aarde besteld wordt. Meestal zijn er geen gasten en laat ik zonder veel ceremonieel de kist in het gat zakken. Maar het is een paar keer voorgekomen dat ik de volgende dag een auto om een boom gevouwen in het bos vond. Eén of twee begrafenissen extra vind ik niet zo erg, maar het gedoe dat je krijgt met de politie en gemeenteambtenaren. Daarom sta ik als er plotseling mist opkomt, altijd aan de bosrand. Als de klok gaat luiden en er is nog niemand gearriveerd, dan loop ik weer terug en begin ik de dienst.’
‘Wordt die niet gedaan door een… uhm, priester of iets dergelijks?’
‘Haha, ik kan wel horen dat jij net zo katholiek bent als ik. Welnee, ik heb een boekje gevonden met Latijnse teksten en als je die langzaam en plechtig op een lage toon uitspreekt, gaat de wind vanzelf meedoen. Let maar op straks. Het is een heel spookachtig geluid. Dat past toch goed bij de ambiance hier?’

 Latijnse teksten die geesten wakker maken die door de mist dwalen op een enorme begraafplaats waar zelfs de kerk onder de zoden ligt. Een hele geruststelling. Ik heb in ieder geval niet met een compleet gestoorde gek te maken.
‘Met hoeveel mensen werken jullie hier dan?’
‘O, ik ben maar alleen meneer. De geestelijke die hier was heb ik jaren geleden… is al jaren geleden overleden. Niet dat ik ooit iets aan hem gehad heb. Hij kwam ’s middags pas zijn bed uit en klokslag twee uur nam hij zijn eerste borrel. Zodra hij de mist het bos uit zag kruipen, dronk hij de fles in één teug leeg. Tegen de tijd dat het bezoek afscheid had genomen van de kist en de kerk betrad, lag meneer zo lam als een deurbel over het altaar. Veel verder dan “Neem mijn lichaam en eet” of iets dergelijks, is hij nooit gekomen. Ik heb hem op een dag maar begraven en zijn werk overgenomen. Ik heb wel een week moeten zoeken naar een boekje in het Latijn. Dat had hij goed verstopt in de kelder. Ik weet nog dat ik dat zo vreemd vond, want hij was doodsbang voor die ruimte.’ Hij lijkt even moeite te doen zich bepaalde beelden weer voor ogen te halen. Zijn wenkbrauwen dalen en trekken diepe kloven in zijn voorhoofd. Hij word direct twintig jaar ouder en zijn handen beven. Alsof er niets gebeurd is, heft hij even later zijn hoofd weer op. ‘Hier rechts om de hoek ligt de kerk.’ Hij wijst op een zandhoop waarin aan één kant een muurtje is aangebracht met een voor een kerk nogal smalle deur. Nee, deze geheiligde plaats zou ik zelf nooit gevonden hebben. Zelfs niet bij helder weer.

 Het ruikt een beetje muf binnen, maar tegen mijn verwachting in, is het er niet overdreven vochtig.
‘Wie luidt er eigenlijk de klok als jij maar alleen bent?’ De man van alles wuift de vraag weg.
‘O, dat gaat al jaren vanzelf. Zal wel iets met de mist en de wind te maken hebben. En vandaag zijn er muzikanten bij, wie weet heeft een van hen zich onder de klok opgeknoopt, haha.
Met de mededeling dat hij zich even gaat omkleden, verdwijnt hij in een naburige ruimte. Hij wijst mij, nog net voordat hij uit beeld verdwijnt, op een deur rechts van mij, waar ik de kist kan vinden. Musici zie ik nergens. Ik hoop dat ze niet allemaal tegelijk de doodsklok aan het luiden zijn.

 Ik heb hem op een dag maar begraven en zijn werk overgenomen. Die zin weerkaatst een paar keer door mijn hoofd. De nonchalance waarmee hij hem uitsprak. Ach, ik had er toch niets aan, dus ik heb een kuil gegraven en hem erin gegooid. Hij stribbelde niet eens tegen. Zo lam als een toeter natuurlijk, dat begrijp je wel. Zat die bedoeling erachter of zit er iets in die mist dat mijn geest vertroebelt.
Ik knijp een keer hard in mijn arm, die mij onmiddellijk voor het gerecht dreigt te slepen. Zo ken ik mijn arm, ik loop dus niet te slaapwandelen. Ik open de deur van de aangewezen kamer en zie nog net hoe de laatste centimeters van de kist achter een gordijn verdwijnen. De kamer is verder kaal. Geen briefje met de naam van de overledene of iets wat mijn aanwezigheid hier een betekenis kan geven. Ik draai me om en loop de kerk in.

 Die blijkt enorm hoog te zijn. En dat geeft me een angstig voorgevoel. Ik ben namelijk door een lage deur binnen gekomen, maar ik heb nauwelijks een afstapje gezien, laat staan een wenteltrap naar beneden. Deze ruimte moet tientallen meters boven de grond steken. Een herkenningsbaken van jewelste, op dagen dat het niet mistig is.
De enige vaste bewoner van het pand is zoveel wierook aan het stoken, dat het altaar in een minstens zo ondoorzichtige laag damp verdwijnt als het bos buiten. Ik hoor zacht vioolgekras, af en toe het klagende geluid van een ontstemde gitaar en daaronder, als bourdon, de gespleten stem van de merkwaardige autodidact priester. Religie onbekend. De teksten die als zwavel uit zijn mond walmen, zijn voor mij onverstaanbaar, maar één ding weet ik zeker: het is geen Latijns.

 Ik hoef niet te gaan zitten, gelukkig. Voordat ik bij het altaar ben, trekt de uitvaartstoet in dwarsrichting aan mij voorbij. Een half verkleedde monnikachtige figuur die wat gestoorde spreuken met de wierook meeblaast, een gitarist wiens instrument op de één of andere manier draadloos versterkt wordt en vier strijkers die de kist op hun schouder dragen. Ik weet het, dat klinkt absurd en er zal ongetwijfeld een soort constructie om de kist zitten die stevig op hun schouders drukt, maar op het eerste gezicht en met een blik vervormd door wierook en mist, lijkt de kist boven de schouder van de musici te zweven. De dragers rechts spelen met de strijkstok in hun rechterhand, de dragers links spelen in spiegelbeeld. We verlaten via de punt van het kruis de kerk, niet de deur waardoor we zijn binnengekomen. Hoewel de mist nog steeds zwaar en verstikkend dik is, zie ik buiten iets beter dan in de kerk. Moet je die gek voorop zien in zijn groen uitgeslagen gewaad vol gaten. Hij draagt – Godbetert – een zilveren kruis ondersteboven voor zich uit. De musici spelen een vreemd soort requiem. Om de beurt zakt één van hen door zijn knieën, daarbij een neerwaartse glissando op de viool makend. Of hij dat geluid maakt omdat hij door zijn benen zakt of dat hij door zijn benen zakt omdat hij dat vallende geluid maakt, kan ik niet zien. Klagelijk jankt de gitaar tussen de verglijdende akkoorden door. Ik heb geen idee hoe dat instrument hier buiten versterkt wordt. Ik zie in ieder geval geen verlengsnoer of klank opwaarderende elektronica. Het ziet er hier eerder uit alsof het terrein honderd jaar geleden verlaten is en er sindsdien geen mens meer naar omgekeken heeft.

 Ik loop bijna tegen de kist op als de stoet plotseling halt houdt. Ik doe een paar stappen opzij en loop een stukje naar voren. Mijn vriend staat op een verhoging achter het graf en bromt alleen nog maar. Heel knap tweetonig, maar het interval is beslist geen kwint, laat staan een zuivere. De gitarist geeft een solo aan de zijkant van het graf. Zijn lichaam hangt gevaarlijk ver over de rand. Ik zie de aarde onder zijn voeten verbrokkelen en wil hem wegtrekken. Precies op dat moment herken ik hem en weigert mijn rechterarm mijn bevelen uit te voeren.
‘Bryce…’
Hij stort de kuil in. Even later hoor ik aan een gebroken akkoord dat hij de bodem bereikt heeft. Ik kijk vragend naar de hogepriester. Die knikt slechts.

 Wat moet ik doen? Me afkeren van deze waanzin en vertrekken of Bryce uit het graf plukken. Het gevolg van de twijfel is dat ik stokstijf blijf staan. De mist in mijn eigen brein houdt me gevangen. Ik ben willoos. Zielloos. Leeg.
De muziek van de violisten dringt nu pas echt tot me door. De snaren snijden door mijn ziel en elk glissando probeert mijn hart de diepte in te sleuren. Dat vallen… Dat vallen is het vallen van een vriend. Maar wie en waarom? Ik weet het niet. Ik zie de contouren van zijn gezicht in de muren van de kerk, in het struikgewas achter het graf en in de mist. Dat is alles, geen puntje van herkenning. Het verbaast me niet eens dat de dragers zich weer in beweging zetten. Het duurt niet lang of de eerste twee muzikanten verdwijnen net als Bryce onder de rand van het graf. Aan het eind van hun glissando sterft de vioolklank weg.

 De kist hangt nu met een kant op het gras voor het graf. De dragers halen het achterste deel van hun schouders en zetten de kist voorzichtig neer. Dan zetten ze hun instrumenten opnieuw aan hun schouders en spelen tot hun dood de laatste maten van de Chorale. Het Requiem is ten einde. Ik loop naar de kist en til hem aan één handvat op. Zo licht als een veertje; de kist is leeg. Op deze begraafplaats rusten geen doden, hier wordt iets veel groters ter ziele gedragen. De mist breekt even open en ik zie lange rijen graven, zo ver ik kan kijken. Ik loop naar de rand van het graf en staar in de diepte. De zaal in het Muziekgebouw is volledig uitverkocht. Het is er warm binnen, heel warm. Ik kijk nog één keer op naar de goede vriend die ik in 2006 verloor. Hij glimlacht. Ik lach ook. De mist trekt zich terug tussen de bomen van het bos. De zon kan elk moment de loodzware lucht doorboren met haar licht. Rest alleen het slotakkoord. Ik spring over de rand en val precies op de goede snaren van de gitaar. Ik ga op in de trillingen van het geluid en verbuig de reine kwint tot het gevraagde interval.

 In memoriam

Bryce Dessner

Chorale

Uit Quintets 

*_*_*
|    |
/ Muziekgebouw Frits Philips Eindhoven \
| Zaterdag 7 april 2012 |

Donor

Zoutloos

Van het weblog Wakkers Gedichten:

Ik heb echt álles over, om mee te groeien!

Chinees verkoopt nier om telefoon te kunnen kopen

“Ik heb mijn hersenen verkocht
mijn computer had te weinig geheugen
om Angy Birds te kunnen downloaden!”

Angry Birds

Mijn reactie:

Hersenspoeling

Die ga ik rondtwitteren, angry of niet.
Ze vragen weleens: waar zou jij je rechterhand voor in het vuur durven steken? Een vreemde vraag, mijn rechterhand heeft het vuur net aangestoken en alleen mijn rechterhand kan het brandend houden.
Mijn linkerhand? Nee, ik wil mijn politieke kleur aan niemand opdringen.
Rechtervoet dan? Nee, daar zit al teveel littekenweefsel, dat geneest niet mooi.
Links? Dan heb ik geen poot meer om op te staan.
Hersenen? Nee, mijn intelectuele eigendommen zijn al geclaimd door overheid, bekende merken, mediagiganten en en andere schimmige organisaties.
Aan mijn ruggegraat heb je niets, die is al zo vaak gespalkt dat ik niet meer kan buigen.
Hart dan? Alleen te ruilen tegen een heel speciale ganzenveer uit het oude Egypte, maar dat is een lang verhaal.
Lever? Zeker niet, daar heb ik nog teveel op.
Milt? Heb ik niet, ik ben mild.
Alvleesklier? Heb ik opgegeten om als vegetariër, zonder een dier te doden, toch een keer de smaak van onderworpen vlees te kunnen proeven.
Longen? Zinloos, ik rook niet maar de lucht die ik inadem is allesbehalve zuiver. Velen weten van het gif, maar niemand durft het bij naam te noemen.
Een litertje bloed wil ik nog wel geven. Maar pas op, het kookt.

Blijven alleen mijn nieren over. Weet je wat, neem ze maar alletwee. Het is allemaal zo zoutloos vandaag de dag, dat ik ze niet meer nodig heb.

Orgaandiefstal door het Israëlisch leger.

Kraai in de nacht

The Crow (Crucifiction)

Donderdag 5 april 2012. Utrecht Centraal station, 19:20 uur. Een jonge man, eind twintig, begin dertig, stapt een tweede klas coupé binnen van de intercity naar Amsterdam. Hij blijft staan aan het begin van het gangpad. Het rode licht van de lamp ‘WC’ reflecteert in zijn glimmend zwarte haar. Door een fikse hoeveelheid gel in zijn vrijheid beperkt, valt het strak achterover. Terwijl de automatische schuifdeur hem sissend rugdekking biedt, klinkt de schreeuw van een kraai boven de trein. Niet heel bijzonder. Net zoals op vrijwel alle stations, leeft rond Utrecht Centraal een grote kolonie kraaien en kraaiachtigen. Het wordt pas vreemd als de kraai steeds luider begint te krijsen. Zit de vogel soms in de trein, opgesloten op het balkon? De jongeman kijkt om zich heen. Hij is geheel gekleed in zwart leer. Een paar-dagen-prikkelbaardje geeft hem een wat mysterieus doch niet onbetrouwbaar gezicht. Vier dagen onder zijn kin, hooguit twee op zijn wangen. Dat laatste, babyvogelhaartjes, geeft hem een jonger gezicht dan hij misschien wel wil. Nog luider kraait het vogelgeluid door de coupé. Is het beest soms zijn metgezel? Nu je het zegt, hij lijkt wel wat op de verongelukte hoofdrolspeler uit de film. Als de menselijke vogel zijn armen spreid en over de bagagerekken hangt, lijkt hij zelfs sprekend op The Crow. Klaar om gekruisigd te worden. Een dag te vroeg, maar er zijn meer mensen die men graag aan het kruis wil nagelen, dus hij zal nauwelijks gemist worden. Keuze genoeg. Dan klinkt nog één keer de angstaanjagende doodschreeuw van De Kraai door de trein.

Een vrouw van middelbare leeftijd, op de bank voor mij, steekt haar hand in een bordeauxrood lederen tas en haalt er een glitterend mobiel apparaat uit. Ze klapt haar telefoon open en zegt luid maar vriendelijk: ‘Hé hallo, hoe is het met jou? Waar ben je nu?’

Zonder iets te zeggen loopt de jongen in het zwart door naar de volgende wagen. Geen spoor meer van De Kraai.

Klok station Ehv

…en de stationsklok sloeg elf (over vier)

Perronaanwijzer met klok

‘Om dertien uur vier vertrekt hij.’ Een meisje van vijftien of zestien jaar oud – ik kan dat nooit goed schatten, ik bedoel die leeftijd waarop meisjes hun hersenen in de slaapstand zetten en pas ontwaakte hormonen hun IQ terugschroeven naar tachtig of lager – wijst naar de vertrekinformatie in de halaanwijzer.
‘Dat halen we niet meer, wanneer gaat de volgende?’ Een wat ouder lijkende jonge vrouw loopt hijgend, op enkele meters afstand, achter het drukke meisje aan. Het is zeker niet haar moeder, maar het lijken ook niet bepaald vriendinnen. Het zouden zussen kunnen zijn. Het altijd in beweging zijnde ADHD-type voorop, de berekenende er als veiligheidscoördinator achteraan. De tweede is, uhm, hoe zal ik het netjes zeggen…

Nou ja… Als het in de baarmoeder oorspronkelijk een vierling was geweest, dan wilde de eerste zich niet binden en zijn de overige drie een coalitie aangegaan met een flinke portie gedoogsteun.
‘Dertien uur vier en, uhm, de volgende… die vertrekt om kwart over vijf van spoor vier. Zullen we daar vast naartoe gaan?’ ADHD kijkt achterom naar haar tweelingzus, springend wijzend op het bord met gewijzigde vertrektijden en vreemde eindstations in verband met de vele geplande werkzaamheden.

Zonder op of om te kijken loopt de oudste haar voorbij. Zo van achter gezien zou het toch best haar moeder kunnen zijn. Misschien wel zwanger van een vierling, in dat geval heb ik niets over haar omvang gezegd, uiteraard. Dochter haalt haar arm naar beneden en begint, op weg naar spoor vier, in hoog tempo het manvolk in de stationshal te scannen. Het staat nog net niet op haar voorhoofd: Gezocht per snel, leuke jongen van zestien of zeventien.

Dat ze om half elf thuis moet zijn van haar vader én haar moeder, zegt ze er niet bij. Ze straalt het met heel haar lichaam uit. Ze gaat achter haar zus aan, de hoek om. Ik loop verder in de richting van de bussen. Dit alles speelt zich af in de stationshal van Eindhoven. Recht onder de stationsklok die exact de juiste tijd weergeeft; over tien seconden is het 15:04 uur precies.

*-*-*

Toeval bestaat niet. Terwijl ik dit schrijf, heeft ImproveEverywhere een filmje geupload waarin acht identieke vierlingen de hoofdrol spelen. Het kost wat moeite, maar mensen zijn nog steeds te verbazen.

Obdam verlaten

Het spek en de Woerd (lijntje des doods)

Overpad in Obdam

Overdag kan de natuur er prachtig zijn. Sloten, velden, molens en weidevogels. ’s Avonds kan het erg angstaanjagend zijn. Agressie en vernielingen. Vanmorgen zag ik de rugleuning van een bank tegen een portaal staan. Maar het is ook een lijntje des doods. Bewust door zelfdoding, of onbewust door stoer gedrag bij de gevaarlijkste overweg van Nederland. Eigenlijk niet eens een overweg, maar een overpad. Mensen worden er geacht zelf op te letten. De machinist van een trein kan als waarschuwing hooguit een keer op de tyfoon gaan staan. De meeste reizigers schrikken daar genoeg van om een minuut doodstil te blijven staan, maar er zijn er ook die hun oordopjes op orkaankracht mp3 hebben staan en de trein pas in de gaten krijgen als ze op hun rug tussen de rails liggen en in het duister de eerste metalen wielen langs hun lichaam zien trekken. Als ze tenminste nog ooit iets in de gaten hebben.

Dode Woerd

 Vandaag maakte ik twee slachtoffers tegelijk. Niet bij het overpad te Obdam, maar enkele honderden meters verderop richting Hoorn. Vermoedelijk waren ze bij een overweg de spoordijk opgelopen en hadden ze daar een stil plekje gezocht. Het waren twee geliefden die niet konden tegenhouden wat Moeder Natuur van hen verlangde. Plotseling stonden ze op en vlogen, alleen oog voor elkaar, in de richting van het spoor, recht voor mijn trein. Als ze gewoon doorgevlogen waren, was er waarschijnlijk niets aan de hand geweest. Maar het meisje aarzelde een moment waarop de jongen een rondje om haar heen draaide. Een dubbele tik en het was Over and Out met deze prille liefde.

 Wat zouden ze achter laten, vroeg ik me af. Zouden ze al kinderen hebben? Het leek me niet waarschijnlijk, maar als ik het mis had waren die ten dode opgeschreven. Wie bouwt er dan ook een liefdesnestje zo dicht langs de rails? Terwijl ik verder reed, viel het me pas op hoeveel dode eenden er tussen de rails en op de ballast tussen het spoor en de sloot lagen. Opvallend veel egels ook. Hoewel de kraaien en kraaiachtigen hun werk snel en efficiënt deden, reed ik over een tapijt van dode dieren. Een uiterst triest gezicht dat, samen met het miezerige weer, mijn stemming er niet beter op maakte.

Dode .., nou ja: iets doods.

 Op de terugweg van Hoorn naar Alkmaar, keek ik nog eens goed naar de plaats des onheils. De woerd lag gebroken tussen de rails, maar zijn vrouw was nergens te bekennen. Tot ik aan de andere kant van de overweg een lichtbruine eend wat moeizaam met haar rechtervleugel zag klapperen. Ter verlichting van de pijn liet ze zich langzaam het water in glijden. Daar genoot ze zichtbaar van de aandacht van twee groen/wit blinkende mannetjes op versiertoer. Trouw duurt niet lang in de kop van Noord Holland, dat had ik nu wel in de gaten. Ik kreeg nog meer medelijden met de man die zo demonstratief sierlijk dood, als een balletdanser in het Zwanenmeer, zijn laatste rustplaats in mineur besnaterde tegenover de Grote Woerd in de hemel.

Rugleuning uit een trein. Ligt nu voor paal.

57 cast 3

I hate the taste… (Na de Zondeval)

I hate the taste…

De eerste keer overvalt het je als een donderslag bij heldere hemel. Terwijl de donder steeds luider tussen je oren heen en weer rolt, wordt de hemel verlicht door verblindend felle kleuren of een patroon van vlakken dat het ene moment dichtbij lijkt te pulseren, dan weer oneindig ver van je weg beweegt op een golf van dreunend machinegestamp. Een waanzinnige doodsangst maakt zich van je meester. Als het zware, misselijkmakende geluid nog verder in volume toeneemt zullen je trommelvliezen scheuren. De felle lichtflitsen maken je blind of op z’n minst gek. Dwars door dat alles heen, hoor je stemmen. Eerst vaag en ver weg, maar geleidelijk aan steeds beter verstaanbaar. Je herkent er zelfs enkele van. Ze behoren aan personen uit een ver verleden. Een verleden dat nu zo tastbaar lijkt, dat je de Eau de Cologne op oma’s wang kunt proeven, zoals je dat kon toen je haar als twaalfjarige een zoen gaf. Een zoen met zoveel mogelijk vocht, zodat je in ieder geval de illusie had dat je haar wang niet met je lippen had aangeraakt. Je hoort de stemmen steeds duidelijker. Sommige geesten vragen waarom je iets gedaan hebt? Je kunt het je niet herinneren. Andere schreeuwen tegen je waarom je juist iets niet gedaan hebt wat wel van je verwacht werd. Geen idee waar het allemaal over gaat. Dunne, iele stemmetjes piepen er zo nu en dan als gillende keukenmeiden tussendoor en smeken je hen te verlossen uit deze hel. En je neemt jezelf voor inderdaad uit het raam te springen, zodra je ergens een venster tegenkomt.

…but I love the effect!

 Het kan abrupt gebeuren, het kan ook een proces van weken of zelfs maanden zijn, maar uiteindelijk laat je de psychose achter je en kun je proberen weer een normaal leven te leiden. Maar je weet, ondanks alle medicijnen die je slikt, het komt hoe dan ook een keer terug. Op de meest ongelukkige momenten breekt het angstzweet je uit. Heb ik nu een lichtflits gezien die er niet was? Hoorde ik de stemmen van mijn grootouders, die me vanaf gene zijde iets belangrijks te melden hebben? Het is deze angst, het niet goed herkennen van de voortekenen, die de periode tussen twee psychoses zo ondraaglijk maakt. ’s Avonds bid je: zet nu de poorten van de hel maar open, ik word gek van het wachten. Uiteindelijk blijkt die tweede keer wel mee te vallen. Je hoort dezelfde donderklappen en je ziet dezelfde verblindende flitsen, maar je hebt het eerder gezien. Je hebt erop gerekend en het schrikeffect is er een beetje af. Langzaam leer je de kleuren te beheersen en de patronen die het licht op de witte achtergrond projecteert. Je kunt de vlakken sturen en zelfs het geluid gehoorzaamt jouw wil. Je bent de heerser over je eigen spookbeelden. Je leeft als in een lucide droom. Jij bent de baas over je eigen wereld en de stemmen die je hoort geven slechts jouw bevelen door.

Gesterkt door deze vreemde machten, ga je opzoek naar de waarheid. Wat is echt in jouw wereld, wat is zuiver, wat is de waarheid? Maar welke waarheid? Universele waarheid? Wiens waarheid? Je hoort teksten voorbij zingen uit een bekende rockopera. Het is Pilatus die zijn stem verheft:

What is truth?
Is truth unchanging law?
We both have truths,
Are mine the same as yours?

Wat heeft de kruisiging van Jezus hier in hemelsnaam mee te maken. Een andere waarheid dan, die van de doofstomme en blinde Tommy. Metalen flipperkastballen beroven je van je zicht, verhinderen je te praten, verstoppen je oren. Het is een spel geworden.

You didn’t hear it,
You didn’t see it,
You never heard it, not a word of it.
You won’t say nothing to no one,
Never tell a soul.
What you know is the Truth.

Dan draagt Eric Clapton het licht de gebedsruimte binnen. Hij geeft eyesight to the blind. De waarheid, de ultieme waarheid is…

Marilyn Monroe!

De overtreffende trap van schoonheid in Gods Paradijs. Waarheid en niets dan de waarheid. Zuiverder dan puur. Mannen kronkelen voor haar als jaloerse pythons in een slangennest. Appels vallen voor haar van de boom. Zodra haar waarheid geweld wordt aangedaan, stort het Paradijs in. Zij en al haar minnaars en aanbidders moeten zich nu staande zien te houden in een wereld waar je steeds meer pillen moet slikken om de illusie van een paradijselijke droom in stand te houden. De psychose gaat langzaam over in realiteit. Je ziet dat het niet veel verschil maakt, maar je blijkt in staat het te beheersen. Zolang je Marilyn Monroe maar in ere, dat wil zeggen, in leven houdt.

Stay! Stay…

Het is onvermijdelijk, zij zal sterven. God eist haar op. Na de Zondeval. Op het toneel blijven slechts uitgeputte acteurs van ToneelGroep Amsterdam achter. Een compleet leeggespeelde Fedja van Huêt en een grandioze, zelfs nu nog onpeilbare Karina Smulders. Ze zijn omringd door een uitstekende cast, een waanzinnig decor en een al het verborgene uit de schaduw slepende belichting. Wat het nou echt een psychose, of moest ik simpelweg de waarheid onder ogen zien. Die hypnotiserende muziek dan? Stay?

Ik loop de schouwburg uit, steek de straat over en wil linksaf naar het parkeerterrein lopen. Maar iets trekt mijn aandacht en ik blijf recht in de straat tegenover het Parktheater staren. Een zuchtje wind blaast een wolk van witte Pyrus bloesem in mijn richting. Het maanlicht weerkaatst erop en legt een stralende deken over de dansende vlindertjes. Het front van bloesem scheurt uiteen en daar staat ze. Haar rok waait een beetje omhoog. Ze duwt hem met één hand naar beneden maar ze geneert zich niet. Ze heeft een bijna wit gezicht onder haar hoogblonde krullen. Ze tuit haar lippen en fluistert zacht tegen de wind: Stay, stay please stay…

Ik laat haar achter zoals ze daar staat. Zo onschuldig, zo naïef. Uiterst prettig als je een psychose zo kunt sturen. Marilyn Monroe is de waarheid, Marilyn Monroe is naïef. Waar de ultieme waarheid en de ultieme naïviteit samenkomen, daar vind je Marilyn Monroe. De waarheid is naïef, of liever: Naïviteit is de Waarheid. Dat klinkt heel diep en filosofisch, maar is op dit moment veel te ingewikkeld voor mij. Ik wil me nu nog even koesteren in de avond, in de Marilyn Monroe van vóór de Zondeval. Naïef? Misschien, maar in elk geval de waarheid.

I love to do the things the censors won’t pass.
Marilyn Monroe

Breda brug te ver

Polarisatie Breda

Mijn opa,
hoort het niet, het meldpunt,
ziet het niet, het meldpunt,
zwijgt over, het meldpunt.

Station Breda

Mijn opa,
kent ze als vrienden,
collega’s. Mijn opa
heeft ze als familie.

Mijn opa. Hij
knijpt zijn ogen dicht,
laat zijn tranen stromen,
als hij hoort tot wat

Vrijheid   verworden is…   Mijn opa,

heeft ze toegejuicht,
toegeschreeuwd,
binnengehaald,
ontvangen,
in zijn armen gesloten,
gekust,
zijn vriendschap beloofd,

on  voor  waarde  lijk,

tot in lengte van dagen;

De Polen,

toen ze in oktober
negentien honderd vier en veertig,
Breda bevrijdden,
van de Duitse bezetter.

* – * – *